Geschiedenis en Cultuur

De middeleeuwse tuin als verbeelding van het paradijs

Voor middeleeuwers in Oost en West had de tuin een goddelijke inspiratie, veilig afgesloten van de buitenwereld. Thursday, July 4, 2019

Door Servaas Neijens
Middeleeuwers waren gefascineerd door het idee van een van de buitenwereld afgesloten tuin waar geliefden elkaar, ook in het geheim, konden ontmoeten.
Dit artikel verscheen in National Geographic Historia editie 2, 2019. 

Religie was in de Middeleeuwen een belangrijke drijfveer voor het menselijk handelen. Dat had ook een duidelijke weerslag op het denken over tuinen. Wij zien ongerepte natuurgebieden met wilde dieren als paradijselijk, voor een middeleeuwer was de natuur wild en gevaarlijk. Hij kon echter wel het paradijs op aarde nabootsen door een muur te bouwen om een stuk land en het in te richten met groen, schaduw en water. De tuin kon ook symbool zijn van het zinnelijke, waar verleiding op de loer lag. 

In de Middeleeuwen bestonden verschillende soorten tuinen, elk met een eigen functie en uiterlijk. Er waren nuttige tuinen, zoals moestuinen, kruidentuinen of wijngaarden. Bij kastelen en paleizen kwamen ook andere typen tuinen voor. Siertuinen waren bedoeld voor ontspanning, om in te wandelen of om mee te pronken. Lusthoven golden als de plek waar geliefden elkaar – heimelijk – konden ontmoeten. Een bijzondere tuin kennen we uit de middeleeuwse literatuur en beeldende kunst: de besloten hof, de hortus conclusus, gewijd aan Maria en haar Jezuskind. 

De vroegst beschreven tuinen 

Een van de eerste bekende bronnen over middeleeuwse tuinen is de Capitulare de villis vel curtis imperii, een 9de-eeuwse verordening waarin Karel de Grote voorschrijft hoe zijn kroondomeinen moeten worden ingericht. Hierin wordt onder meer beschreven welke drie tuinen er bij een abdij horen: een herbularius of medicinale (kruiden)tuin, een moestuin en een boomgaard. De Capitulare bevat ook een lijst met 94 planten die in alle keizerlijke tuinen moesten worden aangeplant: 73 kruiden en groenten, zestien soorten vruchtenbomen (waaronder wijnranken) en vijf planten die textiel of kleurstoffen leveren. De lelie en de roos, beide belangrijke symbolen in de middeleeuwse kunst, staan boven aan de plantenlijst. 

Ook het (waarschijnlijk nooit uitgevoerde) ontwerp voor de Abdij van Sankt Gallen in Zwitserland dateert uit de 9de eeuw. Op de plattegrond krijgen de drie voorgeschreven tuinen elk hun eigen plaats. Ze zijn strak ingedeeld in rechthoekige perken. De herbularius ligt naast het ziekenverblijf en de boomgaard doet ook dienst als begraafplaats. 

Binnentuin van The Cloisters, New York.

Tegen het einde van de Middeleeuwen werden tuinen onderwerp van een zich steeds verder ontwikkelende kunst. Miniaturen werden oorspronkelijk alleen door monniken vervaardigd, maar vanaf de 13de eeuw werkten ook leken aan het illustreren van boeken. Edelen werden belangrijke opdrachtgevers voor miniatuurschilders, zoals de gebroeders van Lymborch, die bijbels en andere boeken verluchtten met onderwerpen uit de liefde, de jacht en de natuur. Hun gedetailleerde en kleurrijke werken laten zien hoe een – vaak geïdealiseerde – tuin eruitzag, welke planten er groeiden en welke ornamenten er stonden. 

Kruidentuinen 

Tijdens de Synode van Aken (816-’19) werd besloten dat de Regel van Benedictus de algemene norm zou worden voor kloosterorden. Een van de bepalingen luidde: ‘Vóór alles en boven alles moet men zorg dragen voor de zieken, zodat ze werkelijk worden gediend als Christus in eigen persoon.’ 

Een uitvloeisel hiervan was dat alle kloosters ziekenbroeders en een ziekenverblijf kregen, en in de kloostertuin werd een medicinale tuin aangelegd. 

In deze herbularius werden vooral planten gekweekt met geneeskrachtige werking. De kruiden werden geplukt, gedroogd en gemengd, of er werden zalven en tincturen van gemaakt. Behalve de monniken konden ook mensen uit de omgeving gebruikmaken van de ziekenboeg in het klooster. Sommige geneeskrachtige kruiden waren bij onoordeelkundig gebruik erg giftig; deze werden in een afgesloten stuk van de tuin verbouwd. Een aantal planten in de kruidentuin werd gekweekt om te dienen als verfstof voor bijvoorbeeld wol en linnen. 

Een anonieme meester die werkte aan de bovenloop van de Rijn beeldde Maria af met het Jezuskind (dat speelt op een psalterium), te midden van engelen en heiligen in een hortus conclusus. De gevleugelde engel rechts in beeld is de aartsengel Michael, die kan worden herkend aan het door hem bedwongen duiveltje naast zijn voeten. Veel planten zijn herkenbaar afgebeeld, bijvoorbeeld akelei, klaver, roos, lelie, aster en hertshooi. Ook vogels kunnen worden herkend: ijsvogel, koolmees, bonte specht, goudvink en roodborst.

In elk klooster werkte één monnik, de infirmarius,die alle kennis bezat over kruiden en was belast met de ziekenzorg. In de Regel van Benedictus werd zijn taak als volgt beschreven: ‘De zieke broeders moeten een eigen kamer hebben, en een eigen verpleger, die God vreest en hen toegewijd en ijverig dient.’ De kennis over de geneeskrachtige werking van kruiden werd verspreid in met de hand gekopieerde kruidboeken. Een van de vroegst bekende is het Liber de Cultura Hortorum van de Duitse monnik Walahfrid Strabo, die in de eerste helft van de 9de eeuw abt was van het klooster Reichenau op het gelijknamige eiland in de Bodensee. In zijn boek dicht Strabo over het werk van de tuinman en beschrijft hij 24 medicinale planten en hun werking. Zo leert hij ons onder meer dat rettich helpt tegen hoesten, selderie goed is voor de maag en dat wijnruit verborgen vergiften en verderfelijke sappen uit het lichaam verdrijft. Wild kattenkruid vermengd met rozenolie levert een zalf op die weldadig is voor de huid en schaafwonden geneest. 

In 1491, bijna zes eeuwen na Strabo verscheen in Mainz de incunabel Hortus sanitatis, de tuin der gezondheid, een boek dat grote populariteit verwierf. In 530 hoofdstukken worden evenzovele geneeskrachtige planten behandeld. Het boek bevat ook honderden hoofdstukken over geneeskrachtige delen van dieren, en van geneeskrachtige stenen. Het is een van de laatste echt middeleeuwse kruidboeken. Het intellectuele leven was in de voorafgaande eeuwen verschoven van de kloosters naar de steeds belangrijkere steden. In de eerste helft van de 16de eeuw richtten de universiteiten van Rome, Pisa en Padua een hortus medicus in, een medicinale tuin die ten dienste stond van de nieuwe doktersopleidingen. De rol van de middeleeuwse kloosterkruidentuin was uitgespeeld. 

Tuinen in de Late Middeleeuwen lijken te zijn geïnspireerd door die uit de islamitische wereld. Beide zijn ommuurd, verdeeld in vier delen die zijn afgescheiden door waterlopen of paden en hebben in het midden een waterpartij of fontein.

Lusthoven en liefdestuinen           

Middeleeuwers waren gefascineerd door de idee van een van de buitenwereld afgesloten tuin waar geliefden elkaar, ook in het geheim, konden ontmoeten. Deze locus amoenus, letterlijk lieflijke plaats, lijkt geïnspireerd op de Hof van Eden, het aards paradijs waar Adam en Eva leefden, maar ook in zonde vervielen. In de Middelnederlandse Marialegende Beatrijswordt zo’n locus amoenus beschreven als een bos waar de vogels feestelijk hun lied zingen, zo luid dat het overal te horen is, en er stonden mooie bloemen: ‘Daer die voghele hadden feest. Si maecten soe groet ghescal, Datment hoerde ouer al; (...) Daer stonden scone bloemkine.’ 

Na haar vlucht uit het klooster ontmoette Beatrijs haar geliefde onder een eglantier, een wilde rozenstruik. Dat is geen toeval. Voor middeleeuwers was deze bloem een symbool voor zowel de geestelijke als de vleselijke liefde, dat voorkomt in talloze minnedichten. Het bekendste voorbeeld is wel de 13de- eeuwse allegorie Roman de la Rose, die een van de meest gelezen boeken in de Middeleeuwen was. In zijn beroemde kunsthistorische studie Herfsttij der Middeleeuwen legt Johan Huizinga kernachtig uit waar het in de Roman de la Rose om draait: ‘De hevige prikkel van het geheim der maagdelijkheid, gesymboliseerd als de roos, en die te winnen met kunst en volharding.’ 

Tuinen in het Oosten 

Net als westerse tuinen waren islamitische tuinen altijd ommuurd. Water speelde een belangrijke rol in het ontwerp. In doorgaans warme en droge gebieden was de tuin een oase die verkoeling en rust bood. De Perzische dichter Saadi beschreef in 1258 een tuin in zijn werk Goelistan(‘De rozentuin’): ‘... waar vogels hun lied zingen in harmonie, waar tulpen bloeien in een rijk palet...’ Het lijkt erop dat de ideale tuin voor middeleeuwers in Oost en West niet veel anders was. 

Dit artikel verscheen in National Geographic Historia editie 2, 2019. 

Van 2 mei t/m 1 september 2019 kun je in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden de tentoonstelling Middeleeuwse Tuinen bezoeken. 

Lees verder

Klimaatverandering in de Middeleeuwen

Het warme en droge klimaat in Europa van de 8ste tot de 14de eeuw zorgde voor rijke oogsten, bevolkingsgroei, de opkomst van steden en een explosie in de bouw van kathedralen. 
Engeland

Britten eren Shakespeare van de tuinen

Immense parken vol statige Libanese ceders. 2016 is het jaar van landschapsarchitect Lancelot Browns 300ste verjaardag. Doe als de Britten en bezoek deze vier prachtige Engelse tuinen, ter ere van Brown!