Isis: van Egyptische godin tot universele godheid

Isis was oorspronkelijk een van de belangrijkste godheden van het Egyptische pantheon. Later verspreidde de Isiscultus zich over het hele Middellandse Zeegebied, waar de godin enorm populair was en gelovigen trok uit alle lagen van de samenleving. donderdag 3 oktober 2019

Dit artikel verscheen in National Geographic Historia editie 3, 2019.

Nadat Ptolemaeus I zichzelf na de dood van Alexander de Grote in 323 v.C. had uitgeroepen tot koning van Egypte, was zijn eerste zorg het laten integreren van de nieuwe Macedonische elite met de autochtone Egyptische bevolking. Religie was een praktisch hulpmiddel om dit doel te bereiken, en daarom besloot de vorst een hybride cultus te vestigen waarin alle bewoners van zijn rijk zich thuis zouden voelen. Een priester uit Eleusis, Timotheüs, en de Egyptische hogepriester Manetho schiepen samen de godheid Serapis. Deze verenigde de belangrijkste kenmerken van Osiris (de Egyptische god van het hiernamaals) met rituele elementen geïnspireerd op de mysteriën van Eleusis, een Griekse cultus waar alleen de ingewijden aan mochten deelnemen en die banden had met de vruchtbaarheidsgodin Demeter. Serapis zou ook trekken van Zeus (de vader van de Helleense goden), Hades (de Griekse god van de onderwereld) en Asklepios (de godheid die werd geassocieerd met de geneeskunde) in zich verenigen. Zijn metgezel zou Isis zijn, tot dan toe de vrouw van Osiris.

Het initiatief van Ptolemaeus mislukte, want de Egyptenaren bleven Isis vereren zoals ze dat al eeuwen hadden gedaan, en ze voelden weinig voor de nieuwe god Serapis. Die slaagde er niet in de plaats van Osiris in te nemen in het hart van de Egyptenaren. Maar buiten Egypte zou de nieuwe goddelijke familie wel een groot succes worden. Zo werden Serapis en Isis belangrijke goden in het hele Middellandse Zeegebied. 

De godin van een dynastie

Het succes van deze nieuwe Isisverering houdt nauw verband met de uitbreiding van de invloed van de Ptolemaeën in het hele oostelijke Middellandse Zeegebied, van Syrië en Palestina tot de westkust van Anatolië, en van de eilanden in de Egeïsche Zee tot het vasteland van Griekenland. Alexandrië, de hoofdstad van Egypte, was bovendien een belangrijk centrum van handel en economie. Diplomatieke, militaire en handelsmissies uit het hele Middellandse Zeegebied bezochten deze wereldstad. 

Als de Alexandrijnse kooplieden successen beleefden in de handel, dankten ze daar hun goden voor. Isis en Serapis waren favoriet, want de mensen werden steeds meer aangemoedigd om te geloven dat juist goden bescherming boden en gezondheid en rijkdom brachten. Serapis draagt een modius op zijn hoofd, een inhoudsmaat die het symbool was van de landbouw. Isis op haar beurt werd in haar gedaante als Isis-Pharia, de schutspatrones van de vuurtoren van Alexandrië, gezien als beschermgodin van de scheepvaart. Haar succes was zo groot dat een festival dat het begin van het scheepvaartseizoen markeerde aan haar werd opgedragen. In de Romeinse wereld stond het feest bekend onder de naam Navigium Isidis, het ‘schip van Isis’. Dit feest werd gevierd bij de eerste volle maan na de lente-equinox. Een beeld van de godin werd in een processie rondgedragen en geplaatst op een bark te water gelaten. De oorsprong van deze nieuwe cultus was misschien niet erg veelbelovend, maar geleidelijk werden Isis en de andere godheden die met haar in verband werden gebracht – de gens isiaca, oftewel ‘familie van Isis’ – steeds meer vereerd. Na verloop van tijd was het een bekende en prestigieuze cultus geworden. 

Serapis vestigt zich op Delos

Rond het jaar 220 v.C. ging de priester Apollonius uit Memphis aan wal op het eiland Delos. Hij wilde er een heiligdom vestigen dat gewijd was aan de god Serapis. Het eiland werd beschouwd als de geboorteplaats van de god Apollo. Delos was halverwege de 3de eeuw v.C. een belangrijk centrum van de slavenhandel geworden. Handelaren uit vele landen trokken erheen, omdat er winst was te halen. Ze werden daarbij allemaal beschermd door hun eigen godheden. 

Vandaar dat de plaatselijke autoriteiten zich wel genoodzaakt zagen om welwillend toe te staan dat er heiligdommen werden gevestigd voor buitenlandse godheden; de welvaart van het eiland hing tenslotte af van de aanwezigheid van de buitenlandse kooplieden. Zo had bijvoorbeeld de Syrische godin Atargatis er een eigen heiligdom. In die context besloot Apollonius – die zei dat hij er een goddelijke opdracht voor had gekregen – het bovengenoemde heiligdom op te richten. 

Deze stap van Apollonius was niet puur een privé-initiatief. Als priester had hij afspraken gemaakt met de lokale religieuze autoriteiten over de bouw van het heiligdom. In die tijd was de verering van Isis en Serapis een symbool geworden van de heerschappij van de Ptolemaeën. Waarschijnlijk was het optreden van Apollonius mede ingegeven door politieke motieven. De Ptolemaeën gaven weliswaar geen expliciete opdrachten om nieuwe heiligdommen te laten bouwen, maar het was heel duidelijk dat zo’n initiatief werd gezien als een groot blijk van trouw aan het koningshuis. 

Van Egypte naar Hispania

Het heiligdom in Delos was niet het eerste heiligdom van Isis buiten de grenzen van Egypte. Er zijn getuigenissen uit Athene waaruit blijkt dat in de 4de eeuw v.C. de plaatselijke oligarchie al priesterambten vervulde in de Isiscultus. Ook vele andere steden op het Griekse vasteland, de Egeïsche eilanden en de westkust van Anatolië hadden Isis en de gens isiaca, in hun plaatselijke pantheon opgenomen. 

De Isisverering werd steeds populairder, en uiteindelijk zou de godin in het hele Romeinse Rijk worden vereerd. De Italische kooplieden die zakendeden op Delos, namen de cultus al snel over en namen de verering mee terug naar de plaatsen waar zij vandaan kwamen: Napels, Campanië, Ostia, Rome en Sicilië. De Isiscultus werd niet vanuit één centraal punt verspreid. Men denkt tegenwoordig dat de cultus vanuit verscheidene plaatsen en door verschillende personen werd geïntroduceerd. Aan de andere kant is het een feit dat een nieuwe cultus geen succes kon worden als er slechts één enthousiaste aanhanger was: de steun van de plaatselijke elite was nodig, en ook de bevolking moest er positief tegenover staan. Zo niet, dan was het gedoemd een mislukte poging te blijven. 

De verspreiding van de Isisverering naar Hispania is een bijzonder verhaal. Tegen het jaar 100 v.C. kwam een handelaar uit Alexandrië, Numas, in Emporion aan (het huidige Empúries in Catalonië). Op een van de beste locaties van deze stad richtte hij een heiligdom op voor Isis en Serapis. Hij voorzag het heiligdom van beel­den en een voorportaal. Dit kon Numas alleen doen doordat de plaatselijke autoriteiten er hun fiat aan hadden gegeven. Het lijkt erop dat hij de eerste was die een dergelijk heiligdom stichtte in Hispania. Anderen zouden zijn voorbeeld volgen, zoals Titus Hermes, die korte tijd later een heiligdom stichtte in Cart­hago Nova (Cartagena). Dit laatste heiligdom werd kortgeleden ontdekt. Ook in Baelo Clau­dia, vlak bij Tarifa, werd een Isisheiligdom gebouwd. Ten tijde van keizer Hadrianus werd er in het achterportaal van het theater van Itálica (nabij Sevilla) ruimte gemaakt om daar een Isistempel aan te leggen. En rond 200 v.C. eeuw liet senator Caius Calpurnius Rufinus een ruraal heiligdom in Panóias (Portugal) ver­bouwen tot Serapisheiligdom. 

Ook al is het aantal heiligdommen van de gens isiaca in Hispania niet heel groot, en zijn deze tempels ook niet echt spectaculair als we ze ver­ gelijken met andere in het Romeinse Rijk, toch bevestigen ze, samen met de aangetroffen inscripties en beeldjes, dat deze cultus in het uiterste westen van het Middellandse Zeegebied enorm leefde.

Isis als universele godin 

We kunnen ons afvragen hoe de eeuwenoude, uit de tijd van de farao’s stammende Isiscultus, na een diepgaande transformatie door toedoen van de ptolemeïsche dynastie, zich kon versprei­den tot in de verste uithoeken van het rijk. Zelfs tot in de Lage Landen. Zo werd bijvoorbeeld in Houten een bronzen beeldje van Isis Fortuna gevonden, waarschijnlijk meegevoerd door Romeinse legionairs of handelaren. 

Het antwoord op deze vraag kan deels worden gevonden in de imperialistische ambities van de Ptolemaeën. Voordat zij aan de macht kwamen, hadden de Griekse goden een sterk lokaal karak­ter. Dat wil zeggen dat het voor gelovigen iets heel anders was om het Apolloheiligdom in Delphi te bezoeken dan dat van Didima, en dat de Zeus van Olympia niet dezelfde was als de Zeus van Kreta, enzovoorts. De goden behoor­ den toe aan de gemeenschap waar ze woonden en hun cultus verschilde van plaats tot plaats. 

Vanaf de hellenistische tijd raakten de goden los van hun plaats van oorsprong en kregen ze een universele dimensie. Het waren niet meer de gelovigen die naar een andere plek gingen om daar de plaatselijke godheid te vereren, maar nu verplaatsten de goden zich juist zodat ze de ver­ering uit handen van de mensen in ontvangst konden nemen. De cultus werd hierdoor een­vormiger in een groot gebied. 

Een imperium met universele aspiraties had ook behoefte aan universele goden. Voor het multiculturele Romeinse Rijk had dit principe nog een bijkomend voordeel: alle inwoners van het rijk kregen daarmee toegang tot dezelfde rituelen, los van hun sociale klasse. Omdat de Romeinse godsdienst uitsluitend voor de Romeinen was, zochten veel inwoners van het rijk naar alternatieven om in hun eigen religi­euze behoefte te voorzien. Deze drang naar godsdienstige bevrediging is een van de oor­zaken van de populariteit van de Isiscultus in het Romeinse Rijk. 

Lees verder

Nieuwe aanwijzingen voor verdwenen tombe Alexander de Grote in Egypte

Opgravingen in de oude koninklijke wijk van Alexandrië leveren intrigerende hints op over de laatste rustplaats van de beroemde veroveraar.

Onverstoord graf van 4400 jaar oud in Egypte ontdekt

In de schitterende tombe in Saqqara zijn taferelen uit het leven van een koninklijke hogepriester te zien, terwijl er nog meer vondsten worden verwacht.

Deze vrouw uit het oude Egypte stierf mogelijk tijdens een bevalling

De ontdekking van een 3700 jaar oud graf van een zwangere vrouw levert mogelijk aanwijzingen op over sterftekansen van moeders en kinderen in de oudheid.