Geschiedenis en Cultuur

Verrassende nieuwe hints over de oude veenlijken

Doorgaand onderzoek suggereert dat minimaal twee lichamen van 2.000 jaar oud voor hun dood hebben gereisd.

Door Christine Dell'Amore
Foto's Van Robert Clark, National Geographic

18 juli 2014

Veenlijken, bewaard gebleven in Noord-Europese veengronden, zijn lange tijd net zo ondoorzichtig voor archeologen gebleven als hun donkere, waterige graven. Er komen echter nieuwe aanwijzingen voor het eeuwenoude geheim van hun oorsprong.

Er zijn alleen al meer dan 500 veenlijken uit de ijzertijd, gedateerd tussen 800 voor Christus en 200 na Christus, gevonden in Denemarken. In Duitsland, Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Engeland werden er nog eens andere veenlijken opgegraven. Veel huid, haar, kleding en maaginhoud van de lijken is opmerkelijk goed bewaard gebleven. Dat heeft alles te maken met de zuurhoudende en zuurstofarme omstandigheden van veengronden, die bestaan uit opgestapelde lagen dood mos.

De Man van Tollund, die in 1950 op het Deense schiereiland Jutland werd gevonden en misschien wel het beroemdste veenlijk ter wereld vormt, heeft bijvoorbeeld nog steeds ‘zijn baard van drie dagen – je krijgt het idee dat hij zo zijn ogen opent en tegen je begint te praten. Dat is een gevoel dat je zelfs niet bij Toetanchamon krijgt’, vertelt Karin Margarita Frei, een wetenschapper die onderzoek doet naar veenlijken in het nationaal museum van Denemarken.

In Denemarken bevinden ongeveer 30 van deze door de natuur gemummificeerde lichamen zich in musea, waar wetenschappers al decennia bezig zijn om erachter te komen wie deze mensen waren en waarom ze stierven.

Omdat sommigen vreselijke verwondingen, zoals een doorgesneden keel, hebben en in tegenstelling tot de meeste andere leden van hun gemeenschap niet werden gecremeerd maar begraven, hebben wetenschappers gesuggereerd dat de lichamen van criminelen of slaven of gewoon van burgers waren. De Romeinse historicus Tacitus was in de eerste eeuw na Christus de grondlegger van dit idee: hij suggereerde dat het deserteurs en criminelen waren. 

Lopend onderzoek onthult echter een heel nieuwe dimensie: deze moerasmensen waren in hun leven misschien juist speciale leden van hun dorpen, die aan het begin van de ijzertijd losjes verspreid in Denemarken lagen. Nieuwe chemische analyses op twee van de Deense veenlijken, de Vrouw van Huldremose en de Vrouw van Haraldskær, tonen aan dat ze voor hun dood lange afstanden hebben afgelegd. Bovendien zijn sommige van hun kledingstukken in het buitenland gemaakt; ze zitten zelfs vernuftiger in elkaar dan lang werd gedacht.

Tot in het neolithicum, 6.000 jaar geleden, vormden veengronden voor Europeanen zowel bronnen als mogelijk onheilspellende bovennatuurlijke portalen, vertelt Ulla Mannering, een expert in eeuwenoud textiel bij het nationaal museum van Denemarken.

De veengrond, die kon worden verbrand om huizen te verwarmen, was waardevol in Denemarken, waar weinig bomen groeiden. Ook werd er een erts met de naam ijzeroer gebruikt voor gereedschappen en wapens. Onder de prehistorische bevolking gold de gedachte ‘als je dingen meeneemt, moet je ook dingen offeren’, aldus Mannering.

Misschien lieten Deense dorpelingen daarom ‘geschenken’ zoals kleding, oude schoenen, geslachte dieren, gehavende wapens en gedurende 500 jaar mensen achter in de zwarte afgrond van de veengronden. Deense culturen die leefden in de ijzertijd, lieten geen handschriften na. Daardoor zijn hun godsdienstige overtuigingen onbekend, merkt Mannering op.

‘Heel mooie dame’

Toen veenboeren vanaf halverwege de 19e eeuw tot het einde van dezelfde eeuw onbedoeld veenlijken begonnen op te graven, werden er velen gevonden zonder kleding. Dat sterkte de overtuiging dat het eenvoudige burgers waren geweest, laat Frei weten. De Man van Tollund werd bijvoorbeeld met een riem maar zonder kleding gevonden. Frei: „Het is zinloos om naakt te zijn en een riem te dragen.”

Ze vroeg zich daarom af of bepaalde kledingstukken van de veenlijken door de eeuwen heen waren opgelost in het veen. Daarom besloot ze om onderzoek te verrichten op de Vrouw van Huldremose, een mummie die in 1879 werd ontdekt en die een geblokte rok en sjaal - allebei van schapenwol - en twee leren capes droeg.

Met behulp van microscopen ontdekte ze dat op de huid van de 2.300 jaar oude vrouw kleine plantenvezels waren achtergebleven - overblijfselen van eeuwenoud ondergoed dat volgens latere analyses van vlas was gemaakt.

Vervolgens voerde Frei als eerste ooit een analyse uit van de strontiumisotoop dat in het vlas en in de wol van de rok en sjaal aanwezig was.

Onderzoekers analyseerden de isotopen of uiteenlopende variaties van atomen in het strontium dat in de vlas- en wolvezels bewaard was gebleven. Deze atomen bieden een chemisch inzicht in de geologie van de regio waar de planten en het schaap leefden.

Uit de resultaten blijkt dat de plantenvezels die uit de draadjes van het ondergoed waren gehaald groeiden op terreinen die geologisch ouder waren dan die van Denemarken en overeenkwamen met typische gronden in Noord-Scandinavië, zoals in Noorwegen of Zweden. Dat suggereert volgens onderzoek dat in 2009 in de Journal of Archaeological Science werd gepubliceerd dat de Vrouw van Huldremose wellicht ergens anders vandaan kwam.

Frei verrichte ook een analyse van strontiumisotopen op de huid van de Vrouw van Huldremose. Mensen nemen strontium op via eten en water en de stof is vooral aanwezig in onze tanden en botten. Veel veenlijken zijn als gevolg van de zure omstandigheden echter zonder tanden en botten aangetroffen. Het onderzoek onthulde dat het lichaam van de Vrouw van Huldremose strontiumatomen van regio's buiten Denemarken bevatte - bewijs dat ze door het buitenland had gereisd voordat ze in het veen eindigde.

Een ander onderzoek dat in 2009 door Mannering werd gepubliceerd, onthulde dat de wollen kleding van de Vrouw van Huldremose – door het veen bruin gekleurd – oorspronkelijk blauw en rood was: geverfde kleding was een teken van rijkdom, stelt ze. Mannering en haar collega's vonden ook een inkeping in een vinger van de Vrouw van Huldremose, wat erop kan wijzen dat ze ooit een gouden ring droeg voordat deze in het veen uit elkaar viel. “Eerst dachten we dat ze een heks moest zijn, maar nu denken we dat ze een heel mooie vrouw met dure juwelen en kleding en duur ondergoed is”, aldus Frei, die zegt dat het onderzoek bovendien aantoont dat culturen in de vroege ijzertijd in de eeuwen voor en na Christus meer met elkaar waren verbonden dan werd gedacht.

Uit het onderzoek van Frei blijkt bijvoorbeeld dat wol en plantenvezels vaker en over langere afstanden werden verhandeld of gekocht als grondstoffen voor textiel dan eerder werd verondersteld. “Deze periode werd gezien als een tijd waarin de samenleving heel erg gesloten was – met weinig handel met de buitenwereld”, vertelt ze. „Nu opeens kunnen we zien dat die er toch was.”

Lotte Hedeager, een expert in archeologie van de ijzertijd aan de Universiteit van Oslo, in Noorwegen, stemt daarmee in. Ze merkt op dat ‘deze resultaten vragen om heroverweging’ van de communicatie- en handelsnetwerken tussen Noord-Europese culturen aan het begin van de ijzertijd.

Het zit in het haar

Voortbouwend op hun ontdekkingen bij de Vrouw van Huldremose wilden Frei en haar collega's zien of ook andere lichamen van buitenstaanders waren.

Ze spitsten zich daarom toe op de Vrouw van Haraldskær, een veenlijk dat in het Vejle Museum in Denemarken wordt tentoongesteld. De vrouw werd in 1835 gevonden en eerst voor de Noorse koningin Gunhild gehouden. 

Dankzij nieuwe ontwikkelingen in de technologie voor het traceren van strontiumisotopen is het mogelijk om strontiumisotopen in menselijk haar te detecteren. Daarmee kan worden aangetoond waar een persoon in de laatste paar jaar van zijn of haar leven woonde. Omdat haren langzaam groeien, kan de analyse van strontiumatomen in de haarwortels en in de punten van iemands haar geografische bewegingen onthullen.

Hoe langer het haar is, hoe langer de geschiedenis van iemands bewegingen is. De Vrouw van Haraldskær is met haar lokken van 50 centimeter dan ook een perfect onderwerp.

Opwindend genoeg weerspiegelen de voorlopige resultaten van de analyse – die nog niet zijn gepubliceerd – de bevindingen bij de Brouw van Huldremose: ook de Vrouw van Haraldskær heeft voor haar dood ergens anders gewoond. De wetenschappers onderzoeken ook haar kleding, die mogelijk op een andere locatie is gemaakt.

“DNA kan dat niet vertellen. Genen kunnen je genetische afstamming vertellen, maar [niet] waar je bent geboren, waar je bent opgegroeid en waar je je laatste levensjaren hebt doorgebracht”, legt Frei uit. Frei en haar collega's voeren nu analyses van strontiumisotopen op de huid van de Man van Tollund uit om te zien waar hij voor zijn dood is geweest.

Geografische buitenstaanders

Andere experts zijn het erover eens dat het onderzoek aangeeft dat de veenlijken zijn van personen die in hun dorpen als uniek werden beschouwd. Voor Heather Gill-Frerking, die onderzoek naar mummies doet voor museumtentoonstellingsorganisatie American Exhibitions, vormen de nieuwe bevindingen “echt fijn bewijs” voor haar theorie dat veenlijken burgers waren die zij ‘geografische buitenstaanders’ noemt: burgers die mogelijk met iemand in de Deense gemeenschap waren getrouwd of die elders hadden gewerkt of in de leer waren geweest. Gill-Frerking heeft jarenlang beweerd dat veenlijken niet het gevolg waren van een bepaalde godsdienstige rite, maar in plaats daarvan vreemden waren die in het veen waren gestopt. Deze burgers zijn mogelijk niet als alle anderen gecremeerd omdat ze zich nog niet aan hun gemeenschappen hadden aangepast of misschien omdat de gemeenschappen zich niet bewust waren van de begrafenisgebruiken van de dode.

“Ik ben sterk overtuigd van het feit dat veenlijken op meerdere manieren kunnen worden uitgelegd, niet alleen als rituelen”, vertelt ze. Wanneer Frei blijft ontdekken dat personen die in het veen waren begraven voor hun dood lange afstanden hadden afgelegd, “moeten we goed kijken naar de rituelentheorie en naar de afzonderlijke lichamen.”

‘Geheimen van het veen’

Niels Lynnerup, forensisch antropoloog aan de Universiteit van Kopenhagen en onderzoeker van veenlijken, is overtuigd van de gedachte dat ze werden geofferd. Volgens hem is het echter nog steeds een raadsel waarom dat zo was. De nieuwe ontdekkingen dat minimaal een van de lichamen mogelijk afkomstig was van een vreemde, draagt volgens hem “zeker bij aan die discussie over de vraag wie de mensen waren die werden begraven.” 

Lynnerup suggereerde bijvoorbeeld dat ze misschien een speciale status hadden omdat ze van ver kwamen of werden meegenomen tijdens invallen in andere gebieden. Het is ook mogelijk dat de persoon het, net als bij bepaalde Inca-offers, een eer vond om te worden uitgekozen en vrijwillig voor het veen koos. “De extra informatie dat minimaal een van hen geen lokale burger was, is ontzetten belangrijk en het zal uiterst interessant zijn om te zien of dit patroon zich doorzet.” De archeologen erkennen dat er waarschijnlijk altijd meer vragen dan antwoorden over geheimzinnige veenlijken zullen zijn. Hedeager van de Universiteit van Oslo voegt toe: “We zullen nooit in staat zijn om de opvattingen van leven en dood van deze burgers, die 2.000 jaar geleden leefden, te onthullen. Dat blijft een echt veengeheim.”