Geschiedenis

Waarom offerde deze oeroude gemeenschap zijn eigen kinderen?

Ruim vijfhonderd jaar geleden offerden leden van het Chimúvolk in het huidige Peru 269 kinderen tijdens schokkende rituelen. Waarom gebeurde dat? dinsdag, 5 februari 2019

Door Kristin Romey
Foto's Van Robert Clark

Dit artikel verscheen in de februari 2019 editie van National Geographic Magazine. 

Het jeugdige slachtoffer ligt in een ondiep graf op een
 met zwerfvuil bezaaid terrein. Het is de vrijdag voor Pasen in Huanchaquito, aan de noordkust van Peru.

De flarden pompende dancemuziek die komen aanwaaien vanaf de bars langs de kust, een paar honderd meter oostelijker, doen denken aan een hartslag. In deze setting een naargeestig geluid, begeleid door het geschuif van de shovels waarmee arbeiders glasscherven, plastic flessen en lege hagelpatronen opruimen. Ze brengen de contouren aan het licht van een kleine grafkuil die in een eeuwenoude kleilaag is uitgegraven.

Twee studenten archeologie liggen aan weerszijden van de kuil op hun buik en bewerken de grond met hun troffels.

Al snel stuiten ze op de kruin van een met zwart haar begroeide kinderschedel. De studenten verruilen hun troffels voor schilderskwasten, waarmee ze voorzichtig het losse zand wegvegen. Nu wordt de rest van de schedel zichtbaar en ook de schouderbotten, die door een sobere, katoenen lijkwade heen steken. Tot slot komen ook de stoffelijke resten van een kleine goudgele lama tevoorschijn, die naast het kind lag opgekruld.

Gabriel Prieto, hoogleraar archeologie aan de nationale universiteit van Trujillo, kijkt de grafkuil in en knikt. ‘Vijfennegentig,’ zegt hij. Hij houdt de stand bij en dit slachtoffer gaat de boeken in als E95 – het 95ste dat is opgegraven sinds het onderzoek naar dit massagraf in 2011 van start ging. Uiteindelijk zouden hier, en op een offerplaats een eind verderop, de resten worden opgegraven van in totaal 296 kinderen, in leeftijd variërend tussen vijf en veertien jaar, en drie volwassenen. Alle slachtoffers stierven ruim vijf eeuwen geleden tijdens strak geregisseerde offerrituelen; het lijkt erop dat hier het grootste mensenoffer aller tijden heeft plaatsgevonden.

‘Zoiets verwacht je niet,’ zegt Prieto hoofdschuddend en duidelijk nog steeds verbaasd. De woorden zijn zowat de mantra geworden van de archeoloog en vader, die de gruwelijke vondst op de site Huanchaquito-Las Llamas probeert te duiden. Welke omstandigheden dreven de mensen hier tot zo’n wanhoopsdaad?

Over de hele wereld is archeologisch bewijs gevonden voor mensenoffers. Het aantal slachtoffers loopt vermoedelijk in de vele honderden; denk hierbij aan krijgsgevangenen en mensen die stierven tijdens rituele gevechten, het doden van de bedienden van overleden heersers en mensenoffers bij de inwijding van heiligdommen. In eeuwenoude geschriften, zoals het Oude Testament, wordt melding gemaakt van kindoffers, maar onomstotelijk archeologisch bewijs voor grootschalige kindermoord is er nauwelijks. Tot de ontdekking van het massagraf in Huanchaquito was de Templo Mayor in de Azteekse hoofdstad Tenochtitlán (het huidige Mexico-stad) de grootste vindplaats van geofferde kinderen in heel Noord- en Zuid-Amerika en mogelijk zelfs wereldwijd. In de vijftiende eeuw werden daar 42 kinderen gedood.

Prieto groeide op in Huanchaco, de gemeente waaronder Huanchaquito valt. Als kind zocht hij vaak naar kralen bij de zestiende-eeuwse Spaanse koloniale kerk op de hoogste heuvel van de stad. Hele middagen bracht hij door aan de zuidkant van de stad, waar hij rondneusde tussen de ruïnes van Chan Chan, de eeuwenoude, uit adobe opgetrokken hoofdstad van het Chimúrijk. Op het toppunt van zijn bloei in de vijftiende eeuw was Chan Chan een van de grootste steden in Noord- en Zuid-Amerika, de machtszetel van een rijk dat zich over vijfhonderd kilometer langs de Peruaanse kust uitstrekte.

De ervaringen uit zijn jeugd inspireerden Prieto om archeoloog te worden. Ten tijde van zijn promotieonderzoek aan Yale keerde hij geregeld terug naar zijn vroegere woonplaats om een 3500 jaar oude tempel op te graven.

In 2011 kreeg hij bericht van de uitbater van een pizzatentje: zijn kinderen – en de honden uit de buurt – hadden op een braakliggend stuk grond in de buurt menselijke beenderen gevonden die uit het zand staken. De man drong er bij de archeoloog op aan snel te komen kijken.

Aanvankelijk dacht Prieto aan een in de vergetelheid geraakte begraafplaats. Maar toen de resten van in lijkwaden gehulde kinderen werden opgegraven – koolstofdatering wees uit dat ze tussen 1400 en 1450 waren begraven – besefte hij dat hij op iets veel groters was gestuit.

Prieto ontdekte al snel dat de kinderen anders waren begraven dan te doen gebruikelijk bij de Chimú. Ze zaten niet rechtop, maar lagen plat op hun rug of opgekruld in zijligging. Ook werden in de graven – ongewoon – geen versierselen, aardewerk of andere grafgiften gevonden.

Daarentegen waren veel kinderen begraven met heel jonge lama’s en mogelijk ook alpaca’s, beide inheems in de Andes. Lama’s waren van groot belang voor de Chimú: ze dienden als lastdieren en als bron van wol en vlees. Een laatste opmerkelijk feit: bij veel kinderen en dieren vertoonden het borstbeen en de ribben snijsporen.

Prieto vroeg John Verano, forensisch expert aan de Tulane University (Louisiana), mee te denken over de vondst. Verano deed decennialang onderzoek naar ritueel geweld in de Andes, onder meer naar een bloedbad dat de Chimú in de dertiende eeuw aanrichtten onder zo’n tweehonderd mannen en jongens in Punta Lobos.

Verano bekeek de stoffelijke overschotten uit Huanchaquito en bevestigde dat zowel de kinderen als de dieren op dezelfde manier waren gedood: met een horizontale snede ter hoogte van het borstbeen, waarschijnlijk gevolgd door het uitnemen van het hart. De trefzekerheid waarmee was gesneden, schokte hem: niets wees erop dat er ‘geaarzeld’ of verkeerd gestoken was. ‘Het gaat hier om systematisch uitgevoerde rituele dodingen,’ concludeerde hij.

Het reconstrueren van de gebeurtenissen in Huanchaquito verloopt moeizaam, vooral omdat archeologen en historici niet veel over de Chimú weten. Vermoedelijk bleef hun beschaving onderbelicht doordat zij werd voorafgegaan en opgevolgd door twee zeer tot de verbeelding sprekende culturen: die van de Moche, die adembenemende muurschilderingen nalieten waarop krijgsgevangenen op brute wijze worden afgeslacht, en de Inca’s, die de Chimú rond 1470 overwonnen en iets meer dan zestig jaar later zelf door de Spanjaarden werden verslagen.

Van de Chimú zijn geen geschreven bronnen overgeleverd, alleen archeologische vondsten. Wat verder bekend is over dit volk, ontlenen we aan Spaanse kronieken. Hierin is te lezen dat de Inca’s honderden kinderen offerden bij de kroning of dood van koningen, hoewel daarvoor geen archeologisch bewijs is gevonden. Maar de kronieken reppen met geen woord over het op een vergelijkbare schaal offeren van kinderen bij de Chimú. ‘Tot onze vondst hadden we geen idee dat de Chimú zoiets deden,’ zegt Verano.

Bij alle vragenover de gebeurtenissen in Huanchaquito is er één heel duidelijke aanwijzing: de slachtoffers liggen begraven in een dikke laag eeuwenoude, opgedroogde modder. Diepe modder duidt op zware regenval, en langs de gewoonlijk zeer droge kust van Noord-Peru ‘regent het alleen zo overvloedig als gevolg van El Niño’, legt Prieto uit.

De bevolking van Chan Chan kon hier overleven dankzij goed beheerde irrigatiesystemen en visgronden voor de kust, en het is goed mogelijk dat de kenmerken van El Niño (opwarmend zeewater en hevige regenval) veel invloed hadden. Een krachtige El Niño kan, denken wetenschappers, de politieke en economische stabiliteit binnen het Chimúrijk hebben ondermijnd. Wie weet gaven priesters en leiders, in een wanhopige poging een einde te maken aan de regen en de chaos, opdracht tot het massaal offeren van kinderen.

‘Zo veel kinderen, zo veel dieren. Dit zou een enorme investering zijn geweest in het voortbestaan van de samenleving,’ zegt Prieto.

‘Je offert op zo’n moment de toekomst, het potentieel van de samenleving,’ zegt Jane Eva Baxter, hoogleraar antropologie aan DePaul University in Illinois. ‘Ga maar na, door een kind te doden doe je zo veel inspanningen teniet. Je kapt familiestambomen af en bedreigt de toekomst van de gemeenschap als geheel.’

De kindoffers zijn mogelijk ook een teken dat precolumbiaanse samenlevingen in Noord-Peru zochten naar nieuwe manieren om de geesten gunstig te stemmen.

Haagen Klaus, hoogleraar antropologie aan de George Mason University in Virginia, legt uit dat kindoffers in het gebied vaker voorkwamen na de val van de Moche (die aan de Chimú voorafgingen) in de negende eeuw. De Moche offerden veel gevangengenomen volwassen strijders bij hun Tempel van de Maan, luttele kilometers en een paar eeuwen verwijderd van de machtszetel van de Chimú in Chan Chan.

Hoewel ze grote haasthadden om de geesten gunstig te stemmen en een einde te maken aan de regens, werd het massale mensenoffer zorgvuldig voorbereid. Het lijkt erop dat de jonge lama’s – afkomstig uit de staatskudden en eveneens van groot belang voor de samenleving – speciaal voor deze gebeurtenis werden uitgekozen.

Nicolas Goepfert, deskundige op het gebied van kameelachtigen aan het Franse Nationaal Centrum voor Wetenschappelijk Onderzoek (CNRS), analyseerde de goed geconserveerde vacht van de offerdieren. Hij kwam tot de conclusie dat de dieren waren geselecteerd op grond van leeftijd en kleur: in de graven waren donker- en lichtbruine exemplaren bij elkaar gelegd. Witte of zwarte lama’s trof hij niet aan.

Hoe de kinderen werden geselecteerd voor hun gruwelijke lot is niet opgehelderd. Wetenschappelijk onderzoek wijst uit dat er in Huanchaquito zowel jongens als meisjes werden gedood en dat er geen tekenen zijn van ondervoeding of ziekte; het lijkt erop dat goed voor de kinderen werd gezorgd. Een isotopenanalyse van hun tanden doet vermoeden dat ze afkomstig waren uit alle delen van het uitgestrekte Chimúrijk. Sommige kinderen hadden een ongewoon langgerekt achterhoofd – dit wijst op een bewuste schedelvervorming die alleen voorkwam in afgelegen berggebieden.

Toch blijven nog veel vragen onbeantwoord. Behoorden de kinderen tot vooraanstaande families of juist niet? Zonder grafgiften blijft het gissen. Hoeveel gezinnen ‘leverden’ kinderen voor dit offer? Werden ze vrijwillig afgestaan om het noodlot af te wenden, of was er sprake van dwang? Archeologen tasten voorlopig nog in het duister. Maar door ondubbelzinnige aanwijzingen en forensische details samen te brengen reconstrueren ze stukje bij beetje wat zich hier heeft afgespeeld.

In de opgedroogde modder zijn voetafdrukken en andere sporen bewaard gebleven die duiden op een statige processie naar de offerplaats. Door de aanwezigheid van kleine voetafdrukken en sporen van tegenstribbelende vierpotige dieren, denken Prieto en Verano dat de slachtofferslevend naar hun graven werden geleid en ter plaatse gedood. Uit de afwezigheid van insecten in de stoffelijke resten leiden experts af dat de kinderen zorgvuldig in lijkwaden werden gehuld en direct met de lama’s begraven.

Die gruwelijke taak werd misschien vervuld door de twee volwassen vrouwen die stierven aan de gevolgen van een harde klap tegen het hoofd. Zij zijn bij de kinderen begraven aan de noordrand van de vindplaats. Daar vlakbij bevinden zich de resten van een volwassen man, die liggend op zijn rug begraven is onder een berg keien. Hij was uitzonderlijk stevig gebouwd, en daarom vermoeden de archeologen dat het gaat om de beul. 
 
Of de kostbare offergaven een einde maakten aan de overvloedige regenval is zeer de vraag, maar dit verontrustende voorval biedt informatie over de laatste, benauwde jaren van een rijk in verval. ‘Wie alles dreigt te verliezen, geeft het gulst,’ zegt Jane Baxter. ‘De Chimú verkeerden destijds in heel grote nood, dat zie je aan alles.’ 

Enkele decennia later werd Chan Chan belegerd door de Incastrijders die het einde van het Chimúrijk zouden inluiden. 
 

Een paar maandenna het voltooien van de opgraving bij Huanchaquito laat Prieto weten dat op de hoge, verlaten heuvel Pampa la Cruz nog meer geofferde kinderen en lama’s zijn gevonden.

Iets verder naar het zuiden is aan de kust een monument opgericht ter nagedachtenis aan de slachtoffers van Huanchaquito: een beeld van een jongetje en een lama, omringd door net aangeplante palmen – één voor elk geofferd mens. Het hoogste punt van Pampa la Cruz biedt in westelijke richting een weids uitzicht over zee, en tijdens mijn bezoek, midden in de Peruaanse winter, wagen een paar stoere golfsurfers zich in het koude water. Prieto heeft op deze heuvel inmiddels de gebeenten opgegraven van nog eens 132 Chimúkinderen. Ook hier heeft het merendeel die inmiddels bekende horizontale incisie op de borst, en zijn de kinderen begraven in eenvoudige lijkwaden. Het aantal slachtoffers op beide sites is inmiddels opgelopen tot 269 kinderen, drie volwassenen en 466 lama’s.

Prieto breekt zich het hoofd over de vondst van negen graven, dicht bijeen op de top van de heuvel en diep weggestopt in de ruïne van een oud heiligdom uit de tijd van de Moche dat uitziet over zee.

Ook hier liggen Chimúkinderen begraven, maar zij zijn ter aarde besteld in mantel en met weelderige hoofdtooi, versierd met papegaaienveren en houtsnijwerk. Geen van de negen slachtoffers heeft incisies op de borst, maar een van hen kreeg een dodelijke klap die de schedel verbrijzelde.

In de week die ik doorbreng op de vindplaats, graaft Prieto een enorm koperen mes op met een ratel eraan. Een uniek voorwerp, zoiets is nog nooit eerder bij een opgraving opgedoken. ‘Mijn God, wat is dit?’ roept hij geschrokken uit. Zouden de hier begraven kinderen met dit mes zijn gedood? Het is een spannende en tegelijk gruwelijke gedachte.

Over het hoe en waarom van de massale mensenoffers tast Prieto nog in het duister. Maar op een dag vertelt hij tijdens de lunch een oude legende die een wat minder duister beeld schetst van de Chimú. In koloniale geschriften wordt een gebeurtenis beschreven die plaatsvond na de aanvallen door de Inca’s en de Spanjaarden, waarbij don Antonio Jaguar, de leider van de belegerde Chimú, de Spaanse overheersers de weg wijst naar een kostbare, verborgen schat.

Volgens de overlevering in Huanchaco, vertelt Prieto, wees don Antonio hun de weg naar de peje chico – de kleine schat – en moet de peje grande nog ergens zijn begraven.

‘Het zou heel goed kunnen dat de kinderen de peje grande zijn, want zij waren het dierbaarste wat de Chimú bezaten,’ zegt Prieto bedachtzaam, terwijl hij met een vork wat prikt in de rijst op zijn bord. ‘Voor hen waren de kinderen meer waard dan al dat goud.’

Redacteur archeologie Kristin Romey schrijft over nieuwe vondsten en oude culturen. Robert Clark maakte al meer dan veertig reportages voor National Geographic.

Dit artikel verscheen in de februari 2019 editie van National Geographic Magazine. 

 

Lees meer