Een simpele advertentie in het Algemeen Handelsblad van 1854 bezegelde het lot van het laatste oerbos van Nederland. Onder de noemer ‘bouw- en weideland en hakhout’ verkocht een notaris te Twello voor de erven van T. Scholten een stuk natuurgebied onder Apeldoorn: het Beekbergerwoud. In 1869 werd er een koper gevonden. Ene Barend van Spreekens had er 98.000 gulden voor over. Maar natuurbehoud was wel het laatste dat hij in gedachten had.
Beekbergerwoud wordt een sigarenkistje
Dat het Beekbergerwoud oud was toen het verkocht werd, was geen onbekende informatie. Het Algemeen Handelsblad noemt het in 1869 ‘een “urwald” gelijk in ons vaderland nergens elders gevonden wordt.’ Toch valt er weinig verontwaardiging te bespeuren over de plannen om ‘dit eeuwenheugend woud’ te kappen. Slechts enkele regels maakten de kranten eraan vuil en protesten worden nergens vermeld.
Kort na de verkoop werd de hakbijl in de eerste boom gezet. De Provinciale Drentsche en Asser Courant beschreef in 1870 acht werklieden, die na een ochtendje hard werken met de ruggen tegen een grote stomp zaten, terwijl ze hun lunch naar binnen werkten. Binnen enkele maanden waren al 25.000 bomen – voornamelijk elzen – geveld, aldus de krant.
De enorme houtstapels gingen later dat jaar op transport naar het nabijgelegen Klarenbeek. Daar stond de koperslagerij van de familie Krepel, die beschikte over een zaagmolen. Zij besloten hun businessplan om te gooien en begonnen in 1870 een sigarenkistenfabriek. De eeuwenoude elzenbomen uit het Beekbergerwoud werden in dunne plankjes gezaagd en begonnen een nieuw leven als sigarenkistje.
Het oerbos verdwijnt
Dat een stuk oerbos ogenschijnlijk zonder protest kon verdwijnen, laat zien hoe onze perceptie op natuurbehoud in honderdvijftig jaar is veranderd. De werkgelegenheid die de kap van het bos met zich meebracht, was voor veel verarmde inwoners juist een positieve ontwikkeling. Zij groeven onder meer sloten uit, zodat het overtollige water van de moerasbodem kon worden afgevoerd. Pas daarna kon worden begonnen met de volgende stap: het omploegen van de bodem.
Naast werkgelegenheid zat Nederland namelijk te springen om meer landbouwgrond om aan de groeiende voedselbehoefte te voldoen. Nog voordat de laatste boom van het Beekbergerwoud in juni 1871 tegen de vlakte ging, was men al begonnen met het planten van haver op de braakliggende percelen.
‘De bodem van het Beekbergerwoud is niet ondankbaar,’ aldus de Zutphensche Courant, ‘want dáár waar men een jaar geleden niets zag dan boomen, struiken op een moerassigen grond, staat nu reeds welige haver.’
Toch wilde het de eerste jaren niet zo vlotten met de oogst. De Landbouw-courant meldde in augustus 1872 dat de gewassen ‘beneden het middelmatige’ bleven. De bodem was nog steeds te drassig, zodat men genoodzaakt was de grond eerst te veranderen in grasland. Er werd gras en klaver ingezaaid en beetje bij beetje veranderde het laatste oerbos van Nederland in een grasveld. Die transformatie was in mei 1873 voltooid, aldus de Arnhemsche Courant.
Natuurbesef begint te groeien
De administrateur van de percelen grasland stuurde in 1874 een bijdrage naar de Landbouw-courant om de successen te delen. Op de nieuwe grasvelden graasden inmiddels 10 paarden en 159 runderen. Er stonden 44 hectare aan tarwe, rogge, haver en duivenbonen op het veld en er was ruimte voor hooiland, weide en aardappels. Veeboeren uit de omgeving zouden binnenkort ook hun koeien op de grond van het voormalige Beekbergerwoud laten grazen.
Toch waren er rond 1900 al mensen die zich realiseerden wat er verloren was gegaan: een ecosysteem dat zichzelf al zo’n achtduizend jaar in stand hield en rijk was aan zeldzame vogels en planten. De onderwijzer en natuurbeschermer Jac. P. Thijsse (1865-1945) was zo iemand. Hij betreurde het verlies van het laatste oerbos van Nederland en zette zich samen met zijn vriend Eli Heimans in voor een groter natuurbesef.
In 1905 richtten Thijsse en Heimans samen de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten op, als reactie op het plan van de gemeente Amsterdam om het Naardermeer te gaan gebruiken als vuilstort. Het meer bleef dit lot bespaard doordat de vrienden het gebied in 1906 aankochten. Voor het Beekbergerwoud kwam zulke hulp helaas te laat. Wel begon Natuurmonumenten in 2006 met het herstel van de natuur in het gebied.
Meer ontdekken? Krijg onbeperkt toegang tot National Geographic Premium en steun onze missie. Word vandaag nog lid!

Roeliene werkt als editor voor National Geographic. Daarnaast levert ze als wetenschapsjournalist bijdragen aan onder meer Quest en KIJK Magazine. Ze is dol op reizen, godsdienstgeschiedenis en een stevige wandeling.












