Werktuigen laten zien hoe de vroege mens in het regenwoud overleefde

De voorwerpen, waaronder de oudste aanwijzingen voor het gebruik van pijl-en-boog die tot nu toe buiten Afrika zijn gevonden, werden ontdekt in een grot op Sri Lanka en zijn soms wel 48.000 jaar oud.

Tuesday, June 16, 2020,
Door Tim Vernimmen
Bolletjes rode oker en kralen van schelpjes werden ontdekt op de vindplaats in de grot van ...

Bolletjes rode oker en kralen van schelpjes werden ontdekt op de vindplaats in de grot van Fa-Hien Lena op Sri Lanka, een van de plekken waar de vroegste aanwezigheid van de mens in het tropische regenwoud is aangetoond. Zeer vroege werktuigen als deze pijlpunten van bot zijn soms wel 48.000 jaar oud.

Foto van M. C. Langley

In de door planten overwoekerde grot van Fa-Hien Lena in het zuidwesten van Sri Lanka hebben archeologen een opmerkelijke verzameling oeroude voorwerpen gevonden, waaronder werktuigen die volgens hen tot de oudste uitrustingen behoren die de mens gebruikte om in het regenwoud te kunnen overleven.

De ouderdom van de vondsten loopt uiteen van 48.000 tot 4000 jaar. Tot de voorwerpen behoren 130 pijlpunten van bot, de oudste die buiten Afrika zijn ontdekt, 29 benen werktuigen voor het vervaardigen van zakken of kleren en een handvol ornamentele kralen. De archeologen ontdekten de artefacten bij opgravingen in de grot en gaan ervan uit dat ze getuigen van vier verschillende bewoningsfases op de vindplaats, waarbij pijlpunten en werktuigen die als elzen (priemen) moeten hebben gediend, in de eerste fase opduiken. De ouderdom van dertig voorwerpen van de vindplaats is met behulp van koolstofdatering vastgesteld, zodat de onderzoekers een tijdlijn konden opstellen. Zo konden ze zien dat de werktuigen in de loop der eeuwen steeds geavanceerder werden.

“De meeste van deze werktuigen werden gemaakt van de botten van apen. Veel van de voorwerpen lijken zorgvuldig tot pijlpunten te zijn geslepen,” zegt archeologe Michelle Langley van de Griffith University in het Australische Queensland, die de leiding had over  het onderzoek, dat is gepresenteerd in het vakblad Science Advances. “Ze zijn te klein en te licht om als speerpunten te zijn gebruikt, want speerpunten hebben gewicht nodig om enig effect te hebben, maar tegelijkertijd zijn ze te zwaar en te bot om blaaspijltjes te zijn.”

Werktuigen die in de grot van Fa-Hien Lena op Sri Lanka zijn ontdekt, zijn uit botten en tanden gesneden en werden gebruikt voor de jacht op kleine apen en eekhoorns, de bewerking van huiden of planten, en mogelijk zelfs voor het knopen van netten. Op de foto een voorwerp dat doet denken aan een boetnaald; een els of mes van apentand; en een pijlpunt.

Foto van M. C. Langley

Op de pijlpunten zijn sporen gevonden die erop wijzen dat ze ooit aan schachten bevestigd zijn geweest. Ook vertonen ze talloze kleine scheurtjes, die mogelijk zijn ontstaan toen de pijlpunten iets raakten. De bogen waarmee ze zouden zijn afgeschoten, “moeten van vergankelijk plantaardig materiaal zijn gemaakt,” zegt Langley, en allang zijn verdwenen. Maar de verzameling van benen werktuigen die bewaard is gebleven, getuigt van enkele van de eerste stappen die door de vroege mens in het regenwoud zijn gezet.

Aanpassing aan een nieuw milieu

Aangenomen wordt dat de belangrijkste migratiegolf van de moderne mens vanuit Afrika rond 60.000 jaar geleden plaatsvond, terwijl kleinere groepjes al in de periode tussen 200.000 en 100.000 jaar geleden uit het continent begonnen weg te trekken en zich over een aanzienlijk gedeelte van de aarde verspreidden. Rond 85.000 jaar geleden arriveerde de moderne mens op het Arabisch schiereiland, zo’n 15.000 jaar later waren er mensen in Zuidoost-Azië, en 65.000 jaar geleden hadden mensen het verre Australië bereikt.

Onderweg moet Homo sapiens zich aan talloze verschillende en uitdagende milieus hebben aangepast, van de ijzige kou in het hoge noorden van Siberië tot de ijle lucht van het Tibetaanse Hoogland. Toen de mens in Zuidoost-Azië aankwam, maakte hij daar kennis met een nieuwe, intimiderende habitat: het tropische regenwoud, waar mensen in de dichte vegetatie moesten zien te overleven door op schuwe prooidieren te jagen en zich te hoeden voor giftige insecten en goed gecamoufleerde roofdieren.

Terwijl moderne mensen gestaag langs de kusten van Zuidoost-Azië oprukten en zo’n 48.000 jaar geleden ook op Sri Lanka arriveerden, trokken ze niet meteen de bossen in. “De eerste mensen die op het eiland arriveerden, leefden waarschijnlijk langs de kust,” zegt archeoloog Oshan Wedage van de Universiteit van Sri Jayewardenepura op Sri Lanka, die een aantal opgravingen in en rond de grot van Fa-Hien Lena heeft geleid. “Maar naarmate de bevolking toenam, moeten hun nakomelingen steeds verder het regenwoud in zijn getrokken.”

De nieuwe omgeving moet een aantal belangrijke innovaties hebben vereist. “In het laagland konden mensen op grote kuddedieren jagen, die eenvoudig waren te vinden en te belagen,” zegt Langley. “Maar in het tropische regenwoud lopen veel kleine en schichtige dieren rond, die ook nog eens hoog in de bomen kunnen leven. Een speer is niet erg doeltreffend als je in het bos op apen of eekhoorns jaagt. Je hebt iets nodig dat lichtgewicht is en waarmee je ver kunt schieten. Pijl-en-bogen zijn in zo’n omgeving ideaal.” En de botten van de afgeschoten apen bleken op hun beurt zeer geschikt te zijn voor het maken van nieuwe pijlpunten.

Enkele van de ontdekte werktuigen van bot lijken andere functies te hebben gehad. “Een plat stuk bot doet sterk denken aan een boetnaald die mensen ook nu nog gebruiken om netten te maken of repareren,” zegt Langley. Dat zou niet alleen aan de kust van pas zijn gekomen, maar ook langs rivieren in het binnenland. Andere werktuigen werden vermoedelijk gebruikt voor het bewerken van leer en plantenvezels, en mogelijk voor de vervaardiging van zakken of zelfs kleren. “In het regenwoud hadden de mensen niet veel kleren nodig om warm te blijven, maar misschien werd er al kleding gebruikt om de huid tegen insectenbeten of scherpe planten te beschermen,” zegt Wedage.

Archeoloog Ian Gilligan van de University of Sydney, die onderzoek doet naar de kleding van de vroege mens, zou naar eigen zeggen niet verbaasd zijn als mensen op Sri Lanka in deze periode al kleding maakten. Genetisch materiaal uit kleerluizen – die kleding nodig hebben om op mensen te kunnen overleven – wijst er bijvoorbeeld op dat Homo sapiens in Afrika al 170.000 jaar geleden begon met het dragen van kledingstukken.

“Naarmate het gebruik van kleding wijdverbreider werd, namen kledingstukken ook verschillende sociale functies aan. Ongetwijfeld speelden die functies in talloze regio’s een belangrijke rol in het voortleven van het kledinggebruik,” zegt Gilligan.

Culturele voorwerpen als kleren en kralen zouden mensen hebben geholpen om sociale groepen met een sterke gemeenschapszin te vormen, waardoor ze wisten te overleven in bijna elke omgeving waarop ze stuitten. Nieuwe werktuigen die door vindingrijke geesten werden bedacht, konden zo van de ene generatie op de volgende worden overgedragen, overgeërfd en verbeterd.

Voorouderlijke banden

Hoewel de mensen in deze bossen een nieuwe levenswijze ontwikkelden, lijken ze banden te hebben onderhouden met de populaties waarvan ze zich hadden afgesplitst. In de grot, zo’n veertig kilometer landinwaarts in het dichte regenwoud, werden kralen gevonden die van schelpjes van zeedieren waren gemaakt, wat erop wijst dat de groep van Fa-Hien Lena ruilhandel heeft gedreven met groepen aan de kust, zegt Wedage.

De kralen waren rond, gepolijst en doorboord zodat ze aan een ketting konden worden geregen. De oudste waren van schelpjes, maar later werden ze ook van bolletjes van helderrode oker gemaakt. 

“Ik weet niet zeker of ze deze okerkralen als ornamenten hebben gebruikt,” zegt Langley. “Misschien was het gewoon een manier om ze bij elkaar te bewaren en met zich mee te dragen, want ze kunnen ook gediend hebben om het lichaam op andere manieren te versieren. Ze kunnen zijn afgeschraapt, zodat de kleurstof over de huid kon worden uitgesmeerd.” Afgezien van deze opmerkelijke kralen van oker, die niet ouder zijn dan 8700 jaar, ontdekten de onderzoekers ook 136 andere fragmenten van gele, rode en zilverkleurige mica of glimmer. Sommige van deze fragmenten werden in de oudste lagen van de grot gevonden en kunnen eveneens zijn gebruikt voor het afschrapen van poeder, waarmee vervolgens het lichaam werd beschilderd.

“Helderrood lijkt vaak de eerste kleur te zijn waarmee mensen zich wilden beschilderen, doorgaans in combinatie met wit,” zegt Langley. “Deze twee kleuren zijn in de hele wereld gevonden, van de Blombosgrot in Zuid-Afrika tot Australië en elders.” Het lijkt erop dat terwijl groepjes Homo sapienszich steeds verder over de aarde verspreidden en hun uitrusting aanpasten aan de bergen, het Noordpoolgebied of het tropische regenwoud, ze tegelijkertijd gebruik bleven maken van een heel vertrouwd kleurenpalet.

Dit artikel werd oorspronkelijk in het Engels gepubliceerd op NationalGeographic.com

lees verder

Oudste stenen werktuigen buiten Afrika gevonden

De nieuwe vondsten lijken erop te wijzen dat vroege voorouders van de mens het continent veel eerder verlieten dan tot nu toe werd aangenomen.
3:25

Regenwouden 101

Regenwouden herbergen ruim de helft van alle planten- en diersoorten ter wereld. Kom meer te weten over tropische en gematigde regenwouden, wat hun bijdrage aan het mondiale ecosysteem is en wat er wordt gedaan om deze deze biomen in stand te houden.

Nieuwe reconstructie van Ötzi’s laatste, wanhopige klim

De beroemde ijsmummie stierf 5300 jaar geleden op een hoge Alpenpas door een pijl in de rug. Onderzoekers hebben nu de vreemde route geanalyseerd die hij vlak voor zijn dood aflegde.
Lees meer