‘Bezoekers hebben vaak niet eens door dat ze naar echte mensenschedels kijken,’ vertelt conservator Paul Voogt van het Missiemuseum in Steyl over de objecten die van oorsprong uit Papoea-Nieuw-Guinea komen. ‘Ze zijn met klei bewerkt en met haren ingeplant.’
De objecten komen uit het deel van Papoea-Nieuw-Guinea dat vroeger een Duitse kolonie was. Dat maakt ze extra bijzonder, want de meeste schedels uit Papoea-Nieuw-Guinea in Nederlandse musea komen van de voormalige Nederlandse kolonie.
Oorsprong van de schedels
Begin 1900 kwamen de schedels voor het eerst naar Steyl, meegenomen door leden van de Duitse missieorde Societas Verbi Divini (SVD). Zij openden in 1931 het Missiemuseum. ‘Enerzijds was het museum onderdeel van de opleiding van missionarissen, maar het was ook bedoeld om aan de hand van bepaalde objecten te laten zien hoe ‘onbeschaafd’ en ‘wild’ de volken waren waar zij onder werkten,’ vertelt Voogt.
Bewerkte mensenschedels kwam je nu eenmaal niet zo snel tegen in Europa, en dus griezelden mensen ervan. ‘Ze benadrukten hoe belangrijk het was dat missionarissen daar de beschaving kwamen brengen. Het publiek was dan eerder geneigd de missie te ondersteunen.’
Leestip: Waarom aten Europeanen mummies in de Middeleeuwen?
Toch waren er ook missionarissen die de schedels vooral meenamen omdat ze mooi vonden, weet Voogt. ‘Ze wisten dat deze cultuur aan het uitsterven was en wilden er een deel van bewaren.’ Paradoxaal genoeg was de oorzaak van die uitsterving de komst van de missionarissen. Zij verspreidden het christendom ten kosten van lokale rituelen en gebruiken. ‘Dat is inderdaad een tegengestelde beweging,’ aldus Voogt.
Veranderde tijdsgeest
Nu de tijdsgeest is veranderd, is ook de visie op het bezit van de schedels niet meer wat hij was. ‘De missieorde zelf vindt het nog wel het ongemakkelijkst,’ vertelt Voogt. Want hoewel het museum zelf inmiddels zelfstandig is, geldt dat niet voor de collectie. Die is nog steeds in handen van de SVD.
Voogt ging daarom in overleg met de orde op onderzoek uit. Wat als hij de schedels kon terugbrengen naar Papoea-Nieuw-Guinea, naar de stam aan wie ze toebehoorden? Daarvoor ontving Voogt een beurs van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Hij trok naar Rome, om daar de centrale archieven van de SVD en Vaticaanse Musea door te spitten.
Leestip: Vijf bizarre trends in middeleeuwse kunst
‘Ik kon helaas niet het exacte dorp achterhalen,’ vertelt Voogt. ‘De missionarissen schreven heel veel, maar niet over het verzamelen van objecten. Dat gebeurde zo vaak dat ze het niet eens meer noteerden.’ Hij vond wel aanwijzingen dat ze in de regio in de buurt van de Sepik-rivier kwamen. Hij boekte zijn tickets, regelde een gids en trok het land in.
De schedels terugbrengen
‘De regio bleek best overzichtelijk,’ vertelt Voogt. ‘Er liggen zo’n dertig dorpen in Midden-Sepik, waarvan ik ongeveer de helft heb bezocht.’ In de dorpen stonden nog steeds zogeheten spirit houses, de plek waar in de jaren dertig zulke bewerkte schedels lagen om rituelen mee uit te voeren. Sinds de komst van de missionarissen gebeurt dat niet meer, maar de elders (mannelijke leiders) komen er wel nog steeds samen.
‘De stammen gaan inmiddels op zondag naar de kerk en hebben afstand gedaan van hun traditionele voorwerpen en rituelen,’ vertelt Voogt. ‘Tegelijkertijd geloven ze nog steeds in de geesten van hun voorouders. Die dingen bestaan naast elkaar.’
Leestip: 5 Nederlandse koloniale forten die je waarschijnlijk nog niet kende
Toen Voogt de elders foto’s liet zien van de schedels met de vraag of ze ze terugwilden, was het antwoord unaniem: nee. Een belangrijke reden die werd genoemd, was dat de stammen niet wisten van wie de schedels waren. Dat maakte de band met het object minder groot, maar er speelde nog iets mee. Wat als ze van een vijandelijk dorp kwamen? Dan haal je boze geesten in huis.
‘Ik heb ook gevraagd wat ze ervan vonden dat ze bij ons in de vitrine lagen, maar niemand had er een probleem mee,’ aldus Voogt. ‘Ze waren ooit gemaakt met het idee om ze te tonen. Sommigen waren zelfs trots dat ze nu worden tentoongesteld.’
Onderzoek naar de schedels
Nu de schedels niet terugkeren naar Papoea-Nieuw-Guinea, is besloten om er meer onderzoek naar te doen. Zo wil Voogt achterhalen of het inderdaad om schedels van vijandelijke stammen gaat of niet.
‘Dat geeft nog een twist aan het verhaal,’ vertelt Voogt. ‘Begin twintigste eeuw werd er op grote schaal gehandeld in die schedels. Heel veel Europeanen wilden ze hebben.’ Niet alleen missionarissen, maar ook musea en particuliere verzamelaars. ‘Er ontstond een enorme vraag naar.’
Toen Voogt de elders vroeg of ze de schedels terugwilden, was het antwoord unaniem: nee. Wat als ze van een vijandelijk dorp kwamen? Dan haal je boze geesten in huis.
Dat had tot gevolg dat stammen ook de schedels van vijanden met klei gingen bewerken. Een eer die normaal alleen was voorbehouden aan leden van de eigen stam. ‘Schedels van vijanden werden normaal gesproken gewoon bewaard in de mannenhuizen als trofee. Maar door de hoge vraag zijn ze deze ook gaan bewerken om door te verkopen.’
Schedel onder de scanner
De schedels zijn nu onder de röntgenscanner gelegd. Als de eigenaren van de schedel ooit zijn onthoofd, dan moeten daar sporen van te vinden zijn. ‘Leden van hun eigen stam werden begraven en later voorzichtig uit hun graf gelicht.’ Met andere woorden: bij sporen van onthoofding gaat waarschijnlijk om een vijand, bij gebrek aan zulke sporen om een stamlid.
Op de resultaten moet Voogt en de rest van het museum nog even wachten. ‘De data worden nu onderzocht door een fysisch antropoloog van de Universiteit van Amsterdam. We verwachten daar volgende week een rapport over te ontvangen.’
Steun de missie van National Geographic en krijg onbeperkt toegang tot National Geographic Premium. Word nu lid!







