‘Een koe gestolen in Zwolle en verkocht voor vijf gulden op het kerkhof.’ Het is een greep uit het archief van middeleeuwse dievenbekentenissen waarin dr. Janna Coomans, onderzoeker middeleeuwse geschiedenis aan de Universiteit Utrecht, heeft gezocht voor haar boek Dievenland. Die bekentenissen bieden niet alleen een inkijkje in de bezittingen van de middeleeuwse burger, maar ook in hoe men destijds met dieven omging. Waren de straffen echt zo meedogenloos als we ons de Middeleeuwen nu vaak voorstellen?

In de archieven duiken

Coomans stuitte op deze bronnen in de archieven van middeleeuwse steden als Kampen en Deventer. De dievenverklaringen die ze daar vond, waren bijzonder gedetailleerd: er stond niet alleen wát er was gestolen, maar ook waar, wanneer en door wie. Ze openden voor Coomans een geheel nieuwe deur naar het dagelijks leven in de Middeleeuwen.

Dat die diefstallen zo nauwkeurig werden bijgehouden, heeft alles te maken met het feit dat mensen in de Middeleeuwen een heel andere verhouding tot dagelijkse spullen hadden dan wij nu hebben. ‘Mensen maakten vaak hun eigen spullen, of repareerden hun eigen kleding,’ legt Coomans uit. ‘Zo’n voorwerp had daardoor veel meer persoonlijke betekenis. Dat is ons nu deels vreemd.’

Leestip: Hoe zag het leven in een middeleeuwse stad eruit? Anders dan je zou denken

Maar die waarde was niet alleen emotioneel. Spullen waren ook simpelweg veel geld waard, en mensen hadden er bovendien veel minder van dan nu. ’Een winterjas kostte, omgerekend, al snel rond de duizend euro. Als zoiets werd gestolen, was dat een grote klap.’

Wat werd het meeste gestolen?

Een oplettende dief kon makkelijk een duur kledingstuk buitmaken: ze trokken het van de drooglijn uit iemands tuin, of haalden het van de kapstok in een herberg. Maar, benadrukt Coomans, het ging niet altijd om simpel ‘meenemen’.

baltasar van den bosch de goochelaar
Museum Boijmans Van Beuningen / Wikimedia Commons
De goochelaar is een gravure van de Zuid-Nederlandse prentkunstenaar Balthasar van den Bosch, naar een werk van Jheronimus Bosch. De voorstelling toont een goochelaar die het publiek afleidt, terwijl een toeschouwer wordt bestolen.

Uit de bekentenissen blijkt dat middeleeuwse dieven vaak met vernuft te werk gingen. ‘Als je op reis bent, is het heel normaal om een kamer of zelfs een bed te delen. In sommige gevallen werden kamergenoten eerst dronken gevoerd, zodat ze een makkelijker doelwit voor diefstal waren.’

Kleding, stoffen en schoenen waren een geliefde buit. Maar dieven namen niet alleen spullen mee: ook vee werd vaak gestolen, van paarden tot koeien. ‘Zo las ik een bekentenis van een dief die in één nacht 27 varkens had gestolen,’ zegt Coomans. ‘Dat moet je maar kunnen. Je ziet dat mensen toen echt handiger waren in de omgang met dieren.’

Leestip: Waren middeleeuwse steden echt zo vies als we denken? ‘Een hardnekkig stigma, maar niet waar’

Meestal konden deze dieren voor een groot bedrag worden doorverkocht. ‘Er zijn zelfs gevallen bekend van mensen die bijenkorven stalen. Het enige dier dat niet wordt gestolen, zijn katten,’ lacht Coomans. ‘Die zijn het niet waard.’

Gelegenheidsdieven en beroepsdieven

De meeste diefstallen die Coomans in haar onderzoek tegenkwam, waren relatief ‘klein’. Mensen stalen bijvoorbeeld af en toe iets van hun huisgenoten, vaak om wat extra bij te verdienen. Echte beroepsdieven waren zeldzaam, al bestonden er uitzonderingen op die regel.

Zo paste een kleine groep dieven bij het klassieke beeld van straatrovers: bendes die niet terugschrokken voor geweld. Coomans stuitte bijvoorbeeld op het bestaan van een rondreizende bende, die stal om te kunnen overleven en zich daarbij ook schuldig maakte aan afpersing en brandstichting. De groep had zelfs een duidelijke leider, bekend onder de naam Knijp.

Niets missen van onze verhalen? Volg National Geographic op Google Discover en zie onze verhalen vaker terug in je Google-feed!

Deze bende werkte volgens vaste regels, vertelt Coomans. ‘Ze gebruikten een geheim teken als herkenningscode. Dat teken werd soms op een deur achtergelaten, bijvoorbeeld bij een herberg waar de leider verbleef.’ Voor andere bendeleden was dat een duidelijk signaal: hier klop je aan voor instructies.

Zware straffen?

In de regio rond de IJssel waren zulke bendes opvallend actief. Steden waren daar woedend over, omdat ze handel wilden kunnen drijven zonder het risico op overvallen. ‘Juist voor zulke groepen heerste een ongekende angst. De samenleving was enorm kwetsbaar, en zij vormden daarin een grote bedreiging. Daarom waren de straffen voor hen extra streng.’

In haar onderzoek ziet Coomans dat zwaardere straffen, zoals lijfstraffen, vooral waren voorbehouden aan groepen waar veel angst voor bestond: gewelddadige criminelen en ‘vreemdelingen’, zoals arbeidsmigranten. Tegelijkertijd ging het daarbij om uitzonderingen, niet om de regel.

Leestip: Werd er echt zo vaak gemarteld in de Middeleeuwen?

‘Men denkt vaak nog dat het vroeger gebruikelijk was om extreem zware straffen op te leggen,’ zegt Coomans. ‘Maar dat klopt echt niet. Bijna alles, zelfs doodslag, kon je vaak met een boete afkopen.’

Het beeld van de Middeleeuwen als een tijd van marteling en afhakte handen is dan ook overdreven. ‘Een ledemaat afhakken had weinig nut: iemand met maar één hand is van veel minder waarde voor de gemeenschap. Ook voor diefstal voldeed een simpele boete vaak.’

Meer ontdekken? Krijg onbeperkt toegang tot National Geographic Premium en steun onze missie. Word vandaag nog lid!