Geschiedenis en Cultuur

Onzichtbaar oorlogsletsel

Naar schatting 230.000 Amerikaanse militairen hebben op missie in Irak en Afghanistan hersen- beschadiging opgelopen als gevolg van zware explosies. De impact op hun leven is enorm. woensdag, 15 november 2017

Door Caroline Alexander

Kijk elke zondag om 22:30 The Long Road Home op National Geographic. Klik hier voor meer informatie.

In de testbunker sta ik met het explosieventeam te wachten. Ik druk mijn oren stevig dicht. Buiten hebben ze een lading springstof met een zes meter lang slagsnoer vastgetapet aan de wand van een uit spaan­ plaat opgetrokken schuurtje met stalen branddeur. In afwachting van ‘schot nummer 52’ wordt er afgeteld van vijf naar nul. Dan klinkt er een doffe knal, waarna ik een dreun tegen mijn borstbeen voel. “Die oplawaai hoort erbij”, vertelt een van de experts. “Ik heb heel wat explosies meegemaakt en al sta je er honderd meter of zelfs kilometers vanaf, die dreun voel je altijd.”

Er is maar weinig bekend over de gevolgen van de schokgolf na een explosie (in het Engels blast), en daarom ben ik nu op deze testlocatie uit de Tweede Wereldoorlog, 65 kilometer ten zuiden van Denver. Destijds werd hier zwaar geschut van zo’n halve ton getest; nu worden proeven genomen met de springstof waarmee militairen muren en deuren opblazen – een veelgebruikte toepassing in de moderne oorlogsvoering. Doel van de proeven is kennis te vergaren over de gevolgen van de schokgolf op het menselijk brein.

Volgens het Pentagon, het Amerikaanse ministerie van Defensie, lijden zo’n 230.000 soldaten en veteranen aan een milde vorm van THL (traumatisch hersenletsel), grotendeels als gevolg van de schokgolf die op een ontplo ng volgt. De symptomen zijn divers: hoofdpijn, toevallen, verstoorde motoriek, slaapstoor­ nissen, duizeligheid, verminderd gezichtsvermogen, oorsuizing, stemmingswisselingen en problemen op het gebied van cognitie, geheugen en spraak. Maar omdat deze klachten overlap vertonen met de symptomen van posttraumatische stress (PTSS), en omdat aan het begin van de missies in Irak en Afghanistan niet structureel werd bijgehouden hoeveel man­ schappen explosies meemaakten, is het exacte aantal slachto ers niet meer vast te stellen.

Het letsel mag dan wijdverbreid zijn, er is nog bitter weinig over bekend. Niet alleen ontbreekt het vooralsnog aan betrouwbare diagnostiek, ook op het gebied van preventie en genezing staan betrokkenen met lege handen. In de medische wereld wordt getwist over zowel de aard van het letsel door blast als over de manier waarop de schade zou ontstaan.

BOEM. Een explosie kent een heel specifiek verloop waarbij elk onderdeel, vrijwel gelijk­ tijdig, een bepaald soort schade veroorzaakt. De ontsteking leidt een chemische reactie in: gassen zetten bliksemsnel uit en vormen een bol­ vormige muur van gas en lucht die zich sneller verplaatst dan het geluid. Deze schokgolf oefent een enorme druk uit op alles wat hij op zijn weg aantre . In dit ultrakorte stadium – de eerste fase van de ontplo ng – blijven omstanders nog overeind. Maar dan daalt de druk plotseling zo sterk dat er een vacuüm ontstaat. Dit vacuüm wordt doorbroken door de tweede fase van de explosie: een supersonische windvlaag die alles wat hij op zijn pad vindt omverwerpt of vernielt.

Puin wordt met zo’n kracht door de lucht geslingerd dat de brokstukken veranderen in levens­ gevaarlijke projectielen. Deze wind, die personen of zelfs dertien ton zware pantserwagens de lucht in slingert, vormt de derde fase van de ontploffing. Alle overige schade na een explosie (brandwonden, contact met schadelijke stoffen, verstikking door opwervelend stof) vormen samen het laatste stadium van een ontploffing.

Van de vier genoemde fasen van een explosie zijn over de gevolgen van de eerste het minst bekend. De theorieën hierover lopen sterk uiteen: ontstaat er letsel doordat de schokgolf via de openingen in de schedel (ogen, neus, oren, mond) doordringt tot de hersenen, en zo ja, hoe dan? Of wordt de externe druk tegen de borst via de bloedbaan naar de nek gestuwd en vandaaruit naar de hersenen? Kan er, wanneer zo’n complexe schokgolf door de schedel en de hersenvloeistof trekt, een bloedpropje ontstaan? Raken de hersenen bekneld wanneer de schedel door de drukgolf indeukt? Is het geluid van de explosie schadelijk? De lichtflits? De meeste militairen met neurotrauma door een drukgolf zijn door de explosie ook omvergeblazen of dooreengeschud. Is neurologische schade die ze daarbij oplopen dan gewoon een bijzondere variant op de hersenschudding?

Aanleiding tot de explosieventests in Colorado is een belangwekkend onderzoek dat het Amerikaanse leger in 2008 uitvoerde onder breachers, de militairen die veel met explosieven werken. Al jarenlang kampen relatief veel leden van deze eenheid met neurologische problemen. Voor het onderzoek volgde het U.S. Marine Corps twee weken lang enkele instructeurs die een groep breachers opleiden. De uitkomst was dat de militairen na de zwaardere explosies nog dagenlang een do e pijn voelden in de borst en rug “alsof iemand hun een optater had verkocht”. Ze klaagden ook over hoofdpijn die “begon als pijnscheuten in het voorhoofd, langs de slapen omlaag trok tot achter de oren, en dan via de kaaklijn weer omhoog”.

De instructeurs, die gewoonlijk meer explosies meemaken dan de leerlingen, werden voor en na de training aan een neurologisch onder­ zoek onderworpen en bleken – heel opmerkelijk – na afloop van de twee weken “iets minder goed” te presteren. Dit wijst erop dat herhaalde blootstelling aan lichte explosies en over een relatief korte periode al schadelijk kan zijn.

Dit onderzoek hee velen de ogen geopend voor het ontstaan van neurotrauma door drukgolven. Volgens Lee Ann Young, een van de hoofdonderzoekers, vormde het de aan­ leiding tot minstens zes andere, nog lopende onderzoeken. Eerder gingen de legerstaf en de medische stand ervan uit dat lichte explosies geen ernstig letsel veroorzaken. “Naar het Golfsyndroom is nauwgezet onderzoek gedaan, maar een verklaring voor de gezondheidsklachten is er niet gevonden”, vertelt kolonel b.d. Christian Macedonia. Hij was medisch­wetenschappelijk adviseur van de Amerikaanse strijdkrachten. “En dus werd er, hoe gek dat nu ook mag klinken, in het Pentagon stevig gediscussieerd over de vraag of THL door drukgolven wel mogelijk was.” Vrij recent nog, in 2008, stelden onderzoekers dat de neurologische klachten sterk wijzen in de richting van PTSS, en dat “hypothetische zorgen” over neurologisch letsel door blootstelling aan explosies grotendeels ongegrond zijn.

Inmiddels zijn veel onderzoekers er echter van overtuigd dat milde THL de kans op bepaalde psychologische aandoeningen ver­ groot, wat mogelijk verklaart waardoor relatief veel veteranen met dergelijke kwalen kampen en waardoor zelfmoord in deze groep vaker voorkomt. Veel neurologen pleiten voor een nauwkeuriger terminologie voor dit type letsel, dat de oorlogen van onze tijd kenmerkt. Zij spreken van “hersenletsel door drukgolven” of “neurotrauma door blast”. Iedereen die ik sprak, maakte bezwaar tegen de kwalificatie ‘mild’.

In de bunker wachten we tot de rook is opgetrokken voor we ons naar buiten wagen. Er hangt een schroeilucht. De deur is weggeblazen, de tegenoverliggende wand is versplinterd, de steunbalken zijn gebroken en vrijwel de hele constructie is uit zijn verband gerukt. Druk­ meters op borst­ en hoofdhoogte hebben de kracht gemeten waarmee de schokgolf weer­ kaatste tegen hoeken en muren. De explosie zelf is vastgelegd op video; wat zich met veertien­ duizend beelden per seconde voordeed, kan met twee tot drie beelden per seconde worden terug­ gekeken: de zekering die na de ontsteking rood­ goud opgloeit in een fraai wervelende streep van licht, gevolgd door het in goud en zwart uitwaaieren van de explosie: BOEM.

De reeks gecontroleerde explosies is bedoeld om het verschijnsel back-blast te doorgronden: de weerkaatsing van de drukgolf tegen een oppervlak. Andere wetenschappers houden zich bezig met de duur van blootstelling aan explosies, de frequentie en het type ontploffing.

Charles Needham, een autoriteit op het gebied van drukgolven, analyseert de resultaten. Op een digitale weergave van de explosie bestudeert hij de pieken en dalen in de drukgolven, die vijf cycli doormaakten en toen wegstierven. Alles was binnen 65 milliseconden voorbij. Een mens hee een reactiesnelheid van minimaal honderd milliseconden op een stimulus – en de schokgolf had de drukmeters op de muren in nog geen vijf milliseconden bereikt. Needham: “In zo’n ruimte kun je er niet aan ontsnappen.”

Needham is zowel natuurkundige als astrofysicus en geldt als expert in alle soorten explosies en de dynamica van weerkaatsende schokgolven. Hij spreekt met een glinstering in zijn ogen over het “gebulder” van zware explosies die hij in de afgelopen jaren hee begeleid. Zijn cv laat zien hoe divers en gevaarlijk zijn vakgebied is: “het gedrag van vuurballen”, “het nabootsen van nucleaire effecten door extreem krachtige explo­sies” en “symposia over schokgolven en vibratie”.

Needham wil breachers voorzien van speciale documentatie, zodat ze weten op welke plekken de reflectie van de drukgolf minimaal is. Die wordt bepaald door de vorm van een ruimte (vierkant of rechthoekig) en de hoogte van het plafond, maar ook door de locatie van de muurstutten, het aantal ramen en deuren en de plaatsing ervan, door andere doorgangen of openingen en eventueel aanwezig meubilair. Een drukgolf die weerkaatst op een glad oppervlak, of dat nu bestaat uit gips of staal, kan krachtiger zijn dan de oorspronkelijke golf. (Een wrang voorbeeld hiervan is de drukgolf in Hiroshima, waarvan de reflectie sterker was dan de eigenlijke explosie.) Vooral de hoeken van een ver­ trek, die mensen instinctief opzoeken, zijn gevaarlijk. Hetzelfde geldt voor de derde plek in een rij breachers met een beschermend schild dat, naar nu blijkt, ook schokgolven reflecteert. Een drukgolf weerkaatst zelfs tegen de binnen­ kant van de helm. De drukgolf wordt beïnvloed door elk detail in het landschap, door elk gebaar dat de getro ene maakt.

Het onderzoek naar hersenletsel bij breachers uit 2008 leverde “onomstotelijk bewijs” dat de veiligheidsrichtlijnen aan herziening toe waren; de breachers moesten veel meer afstand houden. “Sommige handboeken zaten er ruim een factor twee naast”, zegt Needham; in 2012 zijn de instructies dan ook aangepast. Een explosie laat zich lastig in cijfers vatten, vooral omdat er zo veel variabelen zijn. De modellen waarmee Needham werkt, zijn pas sinds enkele jaren beschikbaar. “Het zijn zeer complexe berekeningen en het onderzoek vergt veel computertijd”, zegt hij. Of, in de woorden van een collega: “Tot voor kort wisten we volstrekt niet waardoor al die schade werd veroorzaakt.”

De interesse voor drukgolven ontstond in de Eerste Wereldoorlog, toen verreweg de meeste gewonden – net als tijdens de oorlogen in Irak en Afghanistan – vielen bij explosies, meestal in de vorm van ontploffende granaten. De term shellshock dook voor het eerst op in februari 1915, in een artikel in e Lancet dat de casussen beschreef van drie Britse soldaten die na blootstelling aan blast kampten met slapeloosheid, een beperkt gezichtsvermogen en een vermindering van smaakzin, gehoor en geheugen. Aanvankelijk werden de klachten toegeschreven aan de explosie: door de schok­ golf zouden de hersenen flink door elkaar geschud zijn. Men dacht dat de schokgolf via het ruggenmerg naar de hersenen vloeide.

Naarmate de oorlog voortduurde, werd de aandoening echter steeds vaker gezien als psychisch; veel slachtoffers waren immers uiterlijk ongeschonden. De letterlijke verwijzing naar de shell, die suggereerde dat de ontploffende granaat zelf aan de verwonding ten grondslag lag, verloor terrein. Het verschuiven van de diagnose had verstrekkende gevolgen. In de daaropvolgende decennia werd shellshock het symbool voor de emotionele schade die oorlogssituaties teweegbrengen. Artsen negeerden de mogelijkheid dat hersenletsel door een schokgolf best een fysieke oorsprong kon hebben.

Dankzij het archief van een Britse pensioen­ instelling kunnen we soldaten met shellshock uit die oorlog decennialang volgen, tot in de jaren twintig, dertig, veertig en zelfs daarna. De medische dossiers geven gedetailleerde informatie over veteranen die, “diep in gedachten verzonken” en in apathische toestand hun dagen sleten, hevig trillend op de hoek van de straat stonden, “een kort lontje” kregen of leden aan paranoïde woedeaanvallen. Mijn ouders, beiden opgegroeid in Engeland, hoorden verhalen over mannen “waaraan sinds de oorlog ‘een steekje los’ zat”. Allemaal waardevolle informatie over de langetermijngevolgen van shellshock.

Na de Tweede Wereldoorlog, in 1951, startte de Amerikaanse Atomic Energy Commission het Blast Biology Program. Proefdieren werden blootgesteld aan zeer zware explosies van een nucleair kaliber. Begin jaren tachtig verschoof het onderzoeksterrein van kernwapens naar de lichtere explosieven die kenmerkend zijn voor oorlogsvoering in onze tijd.

“Het medisch onderzoek richtte zich destijds vooral op verwondingen door rondvliegend puin en op de vraag wat er gebeurt in met gas gevulde organen – iedereen wilde weten wat er bij een thermonucleaire explosie gebeurt met de longen en het spijsverteringskanaal”, zegt luitenant­kolonel Kevin Parker, hoog­ leraar Biotechnologie en Toegepaste Natuur­ kunde aan Harvard. “Niemand keek naar de hersenen. En de vijand van nu heeft een wapen­ arsenaal ontwikkeld dat deze wetenschappelijke blinde vlek hardhandig afstraft.”

Parker, een reus van een vent, is als infanterie­officier tweemaal uitgezonden naar Afghanistan, waar hij de kracht van drukgolven zelf ervoer. Op een dag in januari 2003 trok de schokgolf van een explosie in de heuvels van Kandahar door zijn lichaam. “De hemel lichtte op en ik keek naar de bergen in de verte, waar werd gevochten”, vertelt Parker. “Het voelde alsof iets mijn ingewanden optilde en weer losliet.”

Hij raakte ervan doordrongen dat drukgolven zeer uiteenlopend letsel veroorzaken. “Na een bomexplosie is er automatisch minder aandacht voor de kerel die warrig reageert dan voor de militair die zonder benen naast hem ligt”, zegt Parker. “Maar op lange termijn is de man met de hersenbeschadiging waarschijnlijk slechter af.”

In 2005 verlegde Parker zijn werkterrein van kunstmatig hartweefsel naar neurotrauma als gevolg van drukgolven. Hij verzamelde alle mogelijke informatie over bepaalde eiwitten (integrinen) die mechanische krachten door­ geven aan cellen. Met een magnetische pincet en een minidrilboor die abrupte drukverschillen kon creëren, onderwierp Parker kunstmatig weefsel van rattenneuronen (zenuwcellen) aan drukgolven. Moleculen aan de buitenzijde van de cel vormden het beginpunt van een ketting­ reactie die eindigde met het beschadigen van axonen, de lange uitlopers van een neuron die die elektrische impulsen geleiden naar andere neuronen.

Door hun onderzoek op celniveau uit te voeren, omzeilde Parkers onderzoeksgroep twee problemen die de wetenschap bij dit soort experimenten hinderen: proefpersonen mogen niet worden blootgesteld aan explosies, en bij dierproeven behaalde resultaten kunnen niet zomaar worden geëxtrapoleerd naar de mens. Aan de andere kant: uitkomsten behaald met cellen in een petrischaaltje zeggen ook niet alles.

Dat neurologen momenteel zo veel verschillende theorieën onderzoeken, bewijst eens te meer hoe weinig er nog bekend is over neuro­ trauma door explosies. Lee Goldstein (52) van de Boston University School of Medicine kiest een andere benadering. “Ze richten zich voor­ namelijk op de drukgolf”, vertelt Goldstein. “Maar die wordt gevolgd door de wind.” In mei 2012 publiceerde Goldstein de resultaten van onderzoeken naar een mogelijk verband tussen neurotrauma na een explosie en CTE (chronische traumatische encefalopathie), een neurodegeneratieve aandoening die hij ontdekte bij autopsie op de hersenen van vier veteranen die explosies hadden meegemaakt. Goldsteins coauteur, Ann McKee van Veterans Affairs in Boston, had CTE al eerder bestudeerd in de hersenen van overleden American­football­ spelers en andere sporters. CTE, dat in 1928 bekend raakte als het punch­drunksyndroom, komt vaak voor bij sporters die herhaaldelijk hoofdletsel oplopen. Het is een ongeneeslijke en dodelijke neurodegeneratieve ziekte die zich uit in verstandelijke handicaps en dementie. CTE kan alleen vastgesteld worden bij een autopsie en is herkenbaar aan afwijkend, slierterig tau­eiwit.

Om te zien of explosies inderdaad leiden tot het CTE­ziektebeeld, liet Goldsteins team muizen in een testbuis een enkele explosie van gemiddelde zwaarte ondergaan. Ze werden tijdens de test ge lmd met een hogesnelheids­ camera. Op de beelden is te zien dat de kopjes van de muizen na de knal een paar keer achter elkaar ink op en neer bewegen. In dertig milliseconden, veel korter dan het duurt om met je ogen te knipperen, is de windvlaag negen keer op en neer gegolfd. “Eén blast deelt dus in werkelijk­ heid verschillende tikken uit”, zegt Goldstein. “Dus het is net of je in een heel korte tijd een reeks klappen krijgt.”

Twee weken na de test vertoonden de muizenhersenen een ophoping van chemisch veranderde tau­eiwitten en ander letsel. Maar critici wijzen erop dat drie van de vier onderzochte personen ook hersenschade hadden opgelopen in situaties die niets met explosies te maken hadden. Ook zou uit proeven met poppen blijken dat schudden met het hoofd in het veld niet voorkwam.

Sommige onderzoekers vinden dat het onderzoek zich niet alleen op het hoofd moet richten. “Het hele lichaam wordt blootgesteld aan een stortvloed aan kinetische energie”, zegt Ibolja Cernak over de impact van een drukgolf. “In de sport is dat nooit het geval.” Cernak houdt zich aan de University of Alberta bezig met onder­ zoek naar de revalidatie van Canadese militairen en veteranen. Zij begon hiermee tijdens de Kosovo­oorlog. Het was haar opgevallen dat soldaten en burgers na een explosie symptomen vertoonden van bepaalde neurodegeneratieve aandoeningen. “De kinetische energie genereert oscillerende drukgolven in het bloed, die deze energie direct doorgeven aan alle organen, waar­ onder de hersenen.”

Uit experimenten die ze deed met muizen bleek dat er, of het hoofd nu tegen de drukgolf beschermd was geweest of niet, in de hersenen een ontsteking ontstond. En zo’n zwelling, zegt Cernak, vormt de eerste schakel in een proces waarbij schade ontstaat die vergelijkbaar is met alzheimer. Verrassend genoeg leidde bescherming van de borstkas tot een veel mildere ont­ stekingsreactie in de hersenen. Mogelijk speelt de interactie tussen het lichaam en de drukgolf dus een cruciale rol bij het ontstaan van CTE.

Momenteel kan hersenletsel door een druk­ golf uitsluitend bij een autopsie worden vast­ gesteld. In 2013 hee het Pentagon een hersen­ bank opgericht om het onderzoek naar dergelijk neurotrauma bij militairen een impuls te geven. Dit gebeurt onder leiding van Daniel Perl, hoog­ leraar pathologie aan de Uniformed Services University of the Health Sciences in Bethesda, Maryland. Nabestaanden van militairen hebben hersenen gedoneerd en dat stelt de onderzoekers in staat, zegt Perl, om “op weefselniveau te kunnen zien wat er gebeurt”. Hij zegt hersenen onder een microscoop duizend keer scherper te zien dan op een MRI­scan van een levend brein.

Het bevreemdt hem dat er in oorlogssituaties al honderd jaar explosieven worden gebruikt, maar dat er “nog geen uitvoerig neuropathologisch onderzoek is verricht (...) op menselijke hersenen die aan blast zijn blootgesteld.”

Nu, achttien maanden na het begin van zijn onderzoek naar hersenweefsel, spreekt Perl van opmerkelijke resultaten. “We zijn unieke veranderingen op het spoor in de hersenen van soldaten die een drukgolf hebben meegemaakt. Die vinden we niet in de hersenen van burgers”, zegt hij, verwijzend naar veel voorkomend hersenletsel bij sporters. “Wat we zien, lijkt uniek voor explosies. Dit is schade die de hersenen alleen in oorlogssituaties kunnen oplopen.”

Als dit waar is, dan zullen de uitkomsten grote gevolgen hebben, niet alleen voor de behandeling, maar ook voor de diagnose en preventie. “Ik denk dat we om de tafel moeten met de ontwerpers van helmen en uniformen. Vaak is uitgegaan van verkeerde veronderstellingen.”

Het stellen van een betrouwbare diagnose bij de huidige generatie militairen is helaas nog erg lastig. In juni 2011 publiceerde het New England Journal of Medicine de resultaten van een onderzoek dat voor het eerst – met behulp van moderne MRI­scans – afwijkingen in de hersenen van aan blast blootgestelde soldaten laat zien. De bevindingen werden door sommigen geroemd als ‘een mijlpaal’, maar critici wezen erop dat de proefpersonen ook andere trauma’s hadden opgelopen, bijvoorbeeld door een klap met een stomp voorwerp of een motorongeluk.

Biomarkers maken het in de toekomst moge­ lijk makkelijker om tot een correcte diagnose te komen. Zo past het leger momenteel een veelbelovende bloedtest toe waarmee unieke eiwitmarkers worden opgespoord die wijzen op beschadigde hersencellen. (De test werkt alleen wanneer hij binnen een paar dagen na de explosie wordt uitgevoerd.) En in 2014 werd bij een klein onderzoek onder 52 veteranen met succes een op MRI lijkende techniek toegepast: ‘MPF­mapping’ (macromolecular proton fraction). Hierbij meet men de hoeveelheid myeline, een belangrijk onderdeel van de witte stof in het brein. MPF­mapping wordt gebruikt voor onderzoek bij patiënten met multiple sclerose, die minder myeline hebben (het vettige omhulsel dat neuronen beschermt en isoleert). In de hersenen van 34 meermaals aan blast bloot­ gestelde veteranen werd bewijs gevonden voor schade aan de witte stof. Bij achttien militairen die geen explosies hadden meegemaakt, werd de bewuste hersenschade niet vastgesteld.

“De veteranen hadden op ons verzoek aangegeven hoe vaak ze in hun militaire loopbaan een milde vorm van THL hadden meegemaakt”, zegt Eric Petrie, hoogleraar psychiatrie aan de University of Washington en hoofdauteur van het onderzoek. “Maar hoe betrouwbaar is zo’n inschatting? Voor sommige deelnemers was de laatste explosie al vijf of zes jaar geleden”, zegt hij. De wetenschap is bij dit soort diagnostisch onderzoek afhankelijk van de inschatting van de ondervraagde, en dat is een groot probleem. In de toekomst zouden lichtgevoelige kristallen, die als stickers op het uniform worden geplakt, bij een explosie een objectieve meting van de zwaarte kunnen geven.

Er wordt dus gewerkt aan veelbelovende methoden, maar voorlopig wordt de diagnose, net als in de Eerste Wereldoorlog, nog vast­ gesteld door de klachten in kaart te brengen. Een computerprogramma helpt hierbij met vragen als: “Heb je last van de volgende symptomen: versus, verward, sterren zien? In hoeverre beschrijft deze term hoe jij je voelt: ‘uit balans’?”

De gevolgen van een drukgolf zijn uiterst complex, maar het vervaardigen van een bom is goedkoop en vereist minimale expertise. Het kost maar een paar dollar om een bermbom te maken die sterk genoeg is om een pantservoertuig op te blazen. Projectielen die na de detonatie door de lucht vliegen en zeer heet worden, snijden, in de woorden van een wapenexpert, door een pantservoertuig als een “warm mes door de boter”. Een kwaadwillende kan voor twintig euro een explosief in elkaar flansen, daarmee een acht ton kostend voertuig vernielen en de inzittenden ernstig verwonden of zelfs doden.

Terwijl onderzoekers hun best doen te achter­ halen wat de gevolgen van blast zijn op de hersenen, worstelen grote aantallen soldaten met de nasleep van explosies.

BOEM. Tijdens een patrouille in Irak in 2009 voelde Robert Anetz de immense druk op zijn lichaam. Hij voelde niets meer. “Iedereen begon te schreeuwen. ‘Gaat het? Gaat het?’ En dan kijk je of je bloed ziet”, vertelt Anetz. Dat was niet het geval, dus hij dacht dat alles in orde was. Maar zeven maanden na zijn terugkeer uit Irak kreeg hij achter het stuur een toeval, en een hal aar later nog een. Momenteel pakt hij als student en bij de vrijwillige brandweer de draad weer op. Slikte hij eerst vijftien verschillende medicijnen, nu hoe hij er “nog maar” drie. Van de hoofdpijn en de migraine is hij echter nog niet af.

Enrique Trevino, die op 21­jarige leeftijd op een avond, twee weken voor zijn uitzending erop zat, een zware aanslag met een bermbom overleefde, herinnert zich alleen de kortstondige licht its nog, en dat zijn maten zijn naam riepen. “Die its zal ik nooit vergeten”, zegt hij. “Het leek wel een blikseminslag.” Toen hij eindelijk bijkwam in Texas, hoorde hij dat de explosie niet alleen zijn nachtkijker had vernield, maar ook zijn spraak­ en een deel van zijn gezichtsvermogen. Met oefeningen probeert hij zijn hersenen te trai­ nen. Hij doet dit door bijvoorbeeld terug te tel­len van vijftig naar nul – maar hij wordt gekweld door migraineaanvallen en nachtmerries.

Ongeveer een jaar na zijn terugkeer, vertelt Trevino, “kon ik het allemaal niet meer aan.” Hij deed een zelfmoordpoging, die hij overleefde. Een vriend van hem die eveneens in Afghanistan had gediend, slaagde er wel in zijn leven te beëindigen. “Ze vonden hem in zijn eigen huis”, vertelt Trevino. “Hij, hij – niemand had ooit ver­ wacht – niemand zou het ooit hebben – niemand ooit, niemand, echt niemand, niemand had het gemerkt. Niemand had het gemerkt.”

Hetzelfde geldt voor mijn zwager, Ron Haskins, van wie ik voor het eerst hoorde van het bestaan van breachers. Na zijn pensionering van de Army Special Forces werkte hij voor een beveiligingsbedrijf in Irak. Hij overleefde twee aanslagen met bermbommen en kampte sindsdien met hoofdpijn. Ook kreeg hij slaap­problemen door de luide piep in zijn oren. Na terugkeer in de VS werkte hij voor het ministerie van Binnenlandse Veiligheid en gaf hij breacher­ trainingen voor zijn eigen beveiligingsbedrijf. Op een nacht in de zomer van 2011, maakte hij, gedreven door emoties die wij nooit zullen bevatten, met een vuurwapen een einde aan zijn leven.

“Jullie zouden eens naar New Mexico moeten komen. Dan kun je het materieel met eigen ogen zien, en zelf eens iets laten ontploffen”, had Ron tegen me gezegd over de training die hij gaf. “Zelfs al sta je er een kilometer vanaf, dan nog voel je de grond onder je voeten trillen.”