Vraag een willekeurige toerist wat écht typisch Nederlands is en de kans is groot dat klompen worden genoemd, naast tulpen en stroopwafels. Het houten schoeisel is uitgegroeid tot een nationaal symbool. Maar hoe Nederlands zijn klompen? En waarom droegen mensen ooit houten schoenen?
Houten schoenen bestonden al lang vóór Nederland
De geschiedenis van houten schoeisel voert verrassend ver terug. Al in de Klassieke Oudheid liepen de Etrusken op sandalen met houten zolen. In de Middeleeuwen waren vergelijkbare schoenen wijdverbreid in Europa. Deze zogeheten patijnen, trippen of tripklompen bestonden uit een verhoogde houten zool, vastgezet met leren banden onder de voet.
Wil je niets missen van onze verhalen? Volg National Geographic op Google Discover en zie onze verhalen vaker terug in je Google-feed!
Opvallend genoeg droegen welgestelde Europeanen patijnen niet als schoenen, maar over hun leren schoenen heen. In de modderige, onverharde steden boden ze een praktische oplossing: dure leren schoenen bleven schoon en droog.
Van patijn naar klomp: praktisch en betaalbaar
In de Middeleeuwen werd duidelijk dat schoenen die volledig uit hout bestonden, nog praktischer waren. Ze waren goedkoper, steviger en boden betere bescherming. Zo ontstond de klomp zoals we die nu kennen.
Deze houten schoenen werden vooral gedragen door boeren, ambachtslieden en horigen. De klomp beschermde de voet tegen vocht, vuil, scherpe voorwerpen en zelfs tegen een misstap van vee. Comfort stond niet voorop; functionaliteit des te meer.
Niet alleen Nederlands, maar wereldwijd gedragen
Hoewel klompen vaak als typisch Nederlands worden gezien, waren ze allesbehalve uniek voor de Lage Landen. In grote delen van Europa werd op houten schoenen gelopen, en ook daarbuiten. In Japan bijvoorbeeld dragen mensen al eeuwenlang geta: houten sandalen met een verhoogde zool.
Leestip: Waar is de melkbus gebleven? Foto’s uit vervlogen tijden
De exacte oorsprong van de klomp is daardoor moeilijk vast te stellen. Wel zijn de oudste archeologische klompen tot nu toe in Nederland gevonden. Elzenhouten exemplaren, opgegraven aan de Nieuwendijk in Amsterdam en de Oude Dam in Rotterdam, dateren van rond 1230 en 1280 n.C.
Regionale verschillen verraden de drager
Tot ver in de twintigste eeuw waren klompen en patijnen dagelijkse kost. Vrijwel elk dorp had één of meerdere klompenmakers – in Vlaanderen kloefkappers genoemd – die het schoeisel met de hand vervaardigden.
Hoewel de basisvorm universeel was, verschilde de afwerking per regio. De snit, puntvorm en versiering konden verraden waar iemand vandaan kwam. Klompen fungeerden zo niet alleen als schoeisel, maar ook als stille identiteitsdrager. Zo kon je aan de hand van iemands klompen zien waar diegene ongeveer vandaan kwam.
Hoe werden klompen gemaakt?
Een ervaren klompenmaker kon in ongeveer een uur een paar klompen vervaardigen. Het proces begon met een stuk vers, vochtig hout – meestal els, wilg of populier – dat werd gekliefd en grof in vorm gehakt.
Daarna werd het zachte hout laag voor laag geschaafd. Met een lepelboor, teenmes en guts maakte de maker de opening voor de voet. Na schuren en eventueel verven was de klomp klaar voor gebruik.
Na de Tweede Wereldoorlog verdween het ambacht langzaam uit het straatbeeld. Door industrialisatie konden klompen sneller en goedkoper machinaal worden geproduceerd. Freesmachines volgden een mal en sneden in enkele minuten de vorm en voetgaten uit. Zo kon er binnen vijf minuten een vers paar klompen verkocht worden.
Meer ontdekken? Krijg onbeperkt toegang tot National Geographic Premium en steun onze missie. Word vandaag nog lid!











