Vandaag beginnen de Olympische Winterspelen, en miljoenen mensen kijken naar atleten die met grote snelheid over perfect geprepareerde pistes glijden. De sport die nu centraal staat in stadions en skigebieden had duizenden jaren geleden een heel andere functie: het was een manier om te overleven in besneeuwde landschappen.
Jagers, reizigers en later soldaten gebruikten houten latten om zich voort te bewegen door sneeuw die maandenlang bleef liggen. Pas veel later groeide die praktische techniek uit tot een van de populairste onderdelen van de Winterspelen.
Ski’s als hulpmiddel om te overleven
Het oudste archeologische bewijs voor ski’s gaat terug tot ongeveer 6000 jaar voor Christus. In verschillende delen van de wereld ontwikkelden mensen onafhankelijk van elkaar manieren om zich met houten planken over sneeuw te verplaatsen. Van die vroege ski’s is nauwelijks iets bewaard gebleven, maar rotstekeningen laten zien hoe belangrijk ze waren in het dagelijks leven.
In Scandinavië tonen vierduizend jaar oude rotsschilderingen jagers die op twee even lange latten staan terwijl ze met pijl en boog jagen. Ski’s waren hier letterlijk een levensader: zonder deze techniek was jagen en reizen in de winter vrijwel onmogelijk.
Ook rond de Witte Zee in het noorden van Rusland zijn vergelijkbare afbeeldingen gevonden. Daar lijken jagers hun speer of boog te gebruiken als steunpunt, een vroege voorloper van de moderne skistok.
De oudste ski’s ter wereld
Tot de oudste daadwerkelijk bewaard gebleven ski’s behoren de kalvträskskidan, gevonden in 1924 in een moeras bij het Zweedse dorp Kalvträsk. Het gaat om twee houten ski’s van ongeveer twee meter lang en een schepvormige stok.
Aanvankelijk werd gedacht dat ze zo’n 4000 jaar oud waren, maar latere koolstofdatering wees uit dat ze mogelijk ruim 5200 jaar oud zijn. Ze zijn gemaakt van dicht dennenhout dat groeide op een helling – opvallend genoeg een materiaalkeuze die moderne skibouwers nog steeds maken.
Van transportmiddel naar militair instrument
Eeuwenlang veranderde de vorm van ski’s, maar hun functie bleef hetzelfde: efficiënt bewegen over sneeuw. Vanaf de achttiende eeuw kregen ski’s ook een militaire rol. Het Noorse leger gebruikte ze om soldaten mobiel te houden in winters die maanden duurden.
Wil je niets missen van onze verhalen? Volg National Geographic op Google Discover en zie onze verhalen vaker terug in je Google-feed!
De eerste gedocumenteerde skisprong staat zelfs op naam van een militair: Olaf Rye, die in 1809 een sprong van 9,5 meter maakte. Ter vergelijking: het huidige wereldrecord ligt boven de 250 meter.
Skiën wordt een sport
Rond 1900 maakte skiën de sprong van noodzaak naar vrijetijdsbesteding. Vanuit Scandinavië verspreidde de sport zich naar de Alpen, waar in Zwitserland en Oostenrijk de eerste skiclubs ontstonden. Toeristen reisden naar de bergen om les te krijgen van ervaren instructeurs, onder wie de Oostenrijker Hannes Schneider, grondlegger van de moderne skischool.
In 1924 verscheen skiën voor het eerst op het olympische programma tijdens de Winterspelen van Chamonix. Na de Tweede Wereldoorlog zorgden skiliften en nieuwe resorts voor een doorbraak: skiën werd toegankelijk voor een groot publiek.
Meer ontdekken? Krijg onbeperkt toegang tot National Geographic Premium en steun onze missie. Word vandaag nog lid!







