Geschiedenis en Cultuur

De brief die de Amerikaanse Revolutie redde

In 1777 moest generaal George Washington inzien dat hij de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog aan het verliezen was. Maar toen bedacht hij de eerste spionagemissie van de VS. donderdag, 9 november 2017

Door Nina Strochlic

In de onafhankelijkheidsstrijd van de Amerikaanse koloniën tegen Groot-Brittannië zag het er in 1777 niet goed uit voor de rebellen. Het Britse leger had de cruciale haven van New York veroverd, en in afwachting van een verdere Britse opmars werd het Continentale Congres uit Philadelphia geëvacueerd. Alles wees erop dat de oorlog was verloren.

Maar toen schreef George Washington, destijds opperbevelhebber van het Continentale Leger, een brief die het verloop van de oorlog zou veranderen.

Washington wilde per se weten wat er in New York gebeurde, maar zijn militaire verkenners konden niet dichtbij genoeg komen. De generaal had iemand nodig die door de vijandelijke linies kon sluipen maar toen hij om vrijwilligers vroeg, waren er maar weinig soldaten die hun hand opstaken.

“Spioneren werd niet gezien als iets dat een gentleman betaamde,” zegt Vince Houghton, gasthistoricus aan het International Spy Museum in Washington DC.

Uiteindelijk meldde zich de jonge legerkapitein Nathan Hale voor de gevaarlijke missie. Maar amper een week later werd hij gevangen genomen en opgehangen: de eerste Amerikaanse spion die tijdens zijn werk werd geëxecuteerd – hij wordt herdacht met een standbeeld voor het hoofdkwartier van de CIA.

Washington besefte dat de missie te moeilijk was voor ongetrainde vrijwilligers en dus begon hij aan het opzetten van een spionage-afdeling.

John Jay, later de eerste opperrechter van het Amerikaanse Hooggerechtshof, was als hoofd van het ‘Comité en de Commissie ter Ontmaskering en Overwinning van Samenzweringen’ van de staat New York de feitelijke baas van de contraspionage. Een van Jay’s ondergeschikten, een koopman genaamd Nathaniel Sackett, had ervaring met geheimschrift en codes.

In februari 1777 schreef Washington een brief aan Sackett waarin hij hem vijftig dollar per maand – uit eigen zak – aanbood om de eerste officiële organisatie “voor het verwerven van de meest tijdige en beste inlichtingen omtrent de voornemens van de vijand” op te bouwen.

“Zonder de afdeling die door Sackett werd opgezet, zou het voor ons heel lastig zijn geworden de oorlog te winnen,” zegt Houghton. “We hadden haveloze milities en de [Britten] hadden het beste leger, de beste marine en de grootste economie ter wereld. We hadden werkelijk geen schijn van kans deze oorlog te winnen.”

De begintijd van de nieuwe Amerikaanse inlichtingendienst was een ramp. De meeste van Sacketts geheim agenten deden hun werk niet goed en Sackett zelf werd na een half jaar alweer ontslagen.

Gelukkig voor de piepjonge natie bedacht Sacketts opvolger, de 26-jarige Benjamin Tallmadge, een plan dat wordt beschouwd als een van de meest gewaagde spionage-operaties in de Amerikaanse geschiedenis: de ‘Culper Spy Ring’. Het netwerk bestond uit een groepje vrienden uit Long Island, onder wie een winkeleigenaar in de stad New York die inlichtingen inwon, een rondreizende handelaar die de informatie de stad uit smokkelde en een kapitein van een walvisvaarder die de informatie naar het kamp van Washington bracht.

Geheel volgens de trucs en methoden van de achttiende-eeuwse spionage – het verbergen van geheime berichten in holle ganzenveren of het achterlaten van brieven op onvermoede plekken (‘dode brievenbussen’) zodat ze konden worden meegenomen – wisten de geheimagenten van de Culper Ring vijandelijke spionnen en een groep valsemunters te ontmaskeren en de Britten ervan te weerhouden om een Frans hulpkonvooi naar de koloniën te saboteren.

Nadat enkele belangrijke brieven bij een inval van de vijand verloren waren gegaan, bedacht Tallmadge een ‘numeriek woordenboek”, waarin 763 steden, namen en woorden werden gekoppeld aan nummers – Washingtons codenaam was ‘Agent 711’. Washington vroeg de arts James Jay (een broer van John) om een onzichtbare inkt te ontwikkelen die alleen met behulp van een andere chemische stof zichtbaar gemaakt kon worden en daarmee “de angst zou kunnen wegnemen bij die personen aan wie de overbrenging van dergelijke berichten zou worden toevertrouwd”.

Washingtons spionage-experiment had resultaat. In 1781 gaven de Britten zich over, mede dankzij de inlichtingen die door de Culper Ring en zijn netwerken was verzameld. “Op het slagveld was Washington de Britten nooit de baas. Maar op het terrein van de spionage was hij ons gewoon te slim af,” moet een Britse inlichtingenofficier na de oorlog hebben gezegd.

Geen van de Culper-spionnen werd ooit gepakt en zelfs Washington kreeg nooit te horen welke geheim agenten precies tot het netwerk behoorden. Pas in de jaren dertig van de vorige eeuw werd toegegeven dat het netwerk überhaupt had bestaan, en tot op heden weet niemand zeker hoeveel geheim agenten de Culper Ring heeft geteld.

Na de oorlog vroeg Washington het Congres om hem 17.000 dollar – nu bijna een half miljoen dollar – toe te kennen, ter compensatie van zijn eigen spionage-uitgaven. De volksvertegenwoordigers gingen akkoord.