Geschiedenis en Cultuur

De tempeliers: Zwaarden in het heilige land

Tweehonderd jaar lang waren christenen en moslims verwikkeld in een bittere strijd om de Heilige Stad, Jeruzalem. Het verhaal van de kruistochten is onlosmakelijk verbonden met dat van de tempelridders, die het christendom verdedigden met hun leven. vrijdag, 10 november 2017

Door José Luis Corral Lafuente

De Eerste Kruistocht (1096-’99) bracht het grootste deel van het huidige Israël, Libanon en Syrië onder de heerschappij van een verbond van christelijke kruisvaardersstaten. Maar het Heilige Land bleek nog niet veilig. Pelgrims werden regelmatig door moslims aangevallen. In 1120 zwoor een groep ridders om de pelgrims gewapenderhand te beschermen. Ze vestigden zich op de veronderstelde locatie van de legendarische Tempel van Salomo en vernoemden hun militaire orde daarnaar.

De volledige naam van de nieuwe orde was ‘Orde van de Arme Ridders van Christus en de Tempel van Salomo’ (kortweg Orde van de Tempeliers, of Tempelorde). De naam vond zijn oorsprong in hun bescheiden herkomst: de ridders waren afhankelijk van giften om te overleven. Na 1125 kwam verandering in hun lot, toen graaf Hugo van Champagne zich bij de orde aansloot. Hij was een vooraanstaand Frans edelman en grootgrondbezitter die zorgde voor de benodigde contacten en financiële middelen.

In 1129 werd de orde formeel opgericht in Troyes. Direct daarop volgde de eerste militaire actie: de aanval op Damascus. Het werd een grote mislukking. Ondanks de ongelukkige vuurdoop groeide de Orde van de Tempeliers snel in populariteit en werd het de belangrijkste militaire orde van het christendom.

Zij diende direct onder het gezag van de kerk, zoals tot uiting kwam in een uitspraak van paus Innocentius II in 1139: ‘Wij belasten u en uw sergeanten om zonder onderscheid de vijanden van het kruis te bevechten. Als beloning staan wij toe dat u alle buit van de Saracenen behoudt, zonder dat iemand anders het recht heeft om een aandeel op te eisen. Uw huis, met al uw bezittingen die u heeft verkregen door de vrijgevigheid van de vorsten of op enige andere wijze, valt blijvend onder de voogdij en bescherming van de Heilige Stoel.’

Medio 12de eeuw waren de tempelridders bekwame strijders die vochten in de Tweede Kruistocht (1147-’49). Uiteindelijk vertrouwde koning Lodewijk VII van Frankrijk het opleiden van zijn kruisvaardersmacht de facto toe aan de tempeliers. Zij waren een belangrijke militaire groepering in het Heilige Land geworden, die in staat was machtige vestingen te bouwen dankzij donaties van Europese machthebbers.

Op dat moment woonden zo’n driehonderd tempelridders in hun hoofdkwartier in Jeruzalem, samen met ongeveer duizend sergeanten, de tweede rang van de orde, en enkele duizenden schildknapen, bedienden en hulptroepen.

Onder leiding van hun grootmeester waren ze de grootste en best georganiseerde strijdkracht in het Koninkrijk Jeruzalem. Dat geloofden ze tenminste in al hun hoogmoed. In 1153, bij het Slag bij Asjkelon, stormden veertig trotse tempelridders door een bres in de stadsmuur. Vastbesloten dat de glorie van de overwinning alleen de tempelridders diende toe te komen, sloten ze andere kruisvaarders uit bij deze aanval. Ze werden alle veertig gedood.

Deze tekst bevat enkele fragmenten uit de oorspronkelijke reportage. Het hele verhaal kunt u lezen in het vierde nummer van National Geographic Historia.