Middeleeuwse plagen veroorzaakten angst voor ‘ondoden’

Uit de analyse van graven in het Duitstalige deel van het middeleeuwse Europa blijkt een opvallende toename van het aantal mensen dat met het gezicht naar beneden werden begraven. Wat probeerden de levenden daarmee te bereiken?

Friday, September 4, 2020,
Door Andrew Curry
Op deze zestiende-eeuwse tekening van Hans Baldung Grien is uitgebeeld hoe een Duitse huurling met de ...

Op deze zestiende-eeuwse tekening van Hans Baldung Grien is uitgebeeld hoe een Duitse huurling met de Dood spreekt. Toen Europa werd getroffen door de pest, nam het aantal volksverhalen over hongerige en wraakzuchtige ‘ondoden’ sterk toe, iets wat ook zijn weerslag kan hebben gehad op begrafenisrituelen.

Foto van Illustratie DEA Picture Library, De Agostini/Getty

In 2014 was de Zwitserse antropologe Amelie Alterauge nog maar een paar dagen aan het werk in haar nieuwe baan aan het Institut für Rechtsmedizin van de Universität Bern, toen ze een telefoontje kreeg met het verzoek om een vreemd graf op een eeuwenoude begraafplaats te onderzoeken. De vindplaats werd vanwege een aanstaand bouwproject opgegraven en van de ongeveer 340 graven op het kerkhof was er één die de archeologen was opgevallen: een man van middelbare leeftijd die in een verwaarloosde uithoek van het kerkhof met het gezicht naar beneden was begraven. “Ik had nog nooit in m’n leven zo’n graf in het echt gezien,” zegt Alterauge.

In de hoek van de elleboog van de overledene troffen de opgravers een ijzeren mes en een buidel vol munten aan, alsof ze ooit onder de kleding van de man verborgen hadden gezeten. De munten hielpen de archeologen om het lichaam te dateren, in de tijd tussen 1630 en 1650, een periode waarin deze regio van Zwitserland werd getroffen door een reeks epidemieën. “Het leek alsof de familie of de doodgravers het lichaam niet wilden onderzoeken,” zegt Alterauge. “Misschien was hij al in verregaande staat van ontbinding toen hij werd begraven of misschien aan een besmettelijke ziekte overleden en durfde niemand in de buurt van het lijk te komen.”

De ontdekking van Alterauge was het begin van een zoektocht naar nog meer voorbeelden van graven waarin overledenen met het gezicht naar beneden waren begraven, niet alleen in Zwitserland maar ook in Duistland en Oostenrijk. Hoewel dit soort bijzettingen zeer zeldzaam zijn, zijn ze ook elders aangetroffen, vooral in de Slavische delen van Oost-Europa. Ze worden vaak in verband gebracht met andere vreemde begrafenisrituelen, zoals het verminken of met stenen verzwaren van de lichamen, een praktijk die bedoeld was om te voorkomen dat deze lijken als vampiers en ‘ondoden’ uit hun graven zouden opstaan. Maar volgens Alterauge had nog niemand dit fenomeen op systematische wijze onderzocht in het Duitstalige deel van het middeleeuwse Europa, waartoe het huidige Zwitserland, Duitsland en Oostenrijk behoren.

In een nieuwe studie die nu in het tijdschrift PLOS Oneis verschenen, presenteren Alterauge en haar onderzoeksteam hun analyse van bijna honderd van deze ‘omgekeerde’ grafleggingen uit de periode van negenhonderd jaar die door archeologen in het Duitstalige Europa zijn gedocumenteerd. Uit de gegevens komt een duidelijke verandering in de begrafenispraktijk naar voren, een verandering die volgens de onderzoekers in verband kan worden gebracht met de vele sterfgevallen door de pest en met de vrees onder overlevenden dat de slachtoffers mogelijk als ‘ondoden’ zouden terugkeren om de levenden te belagen.

Een middeleeuws graf op een kerkhof in Berlijn onthult een lichaam dat met het gezicht naar beneden is begraven. ‘Omgekeerde’ grafleggingen namen in de late Middeleeuwen sterk toe en kunnen een reactie zijn geweest op het grote aantal doden door de pest.

Foto van Landesdenkmalamt Berlin, Claudia Maria Melisch

Gedurende de vroege en hoge Middeleeuwen in Europa (van circa 950 tot 1300) worden de weinige lichamen die met het gezicht naar beneden zijn begraven, doorgaans in het midden van het plaatselijke kerkhof of zelfs binnen in de kerk aangetroffen. Sommige zijn voorzien van sieraden, dure kleding en schrijfwaren, wat erop wijst dat het om leden van de hoge adel en priesters ging die er voor hadden gekozen om op deze manier begraven te worden, namelijk in een gebaar van boetedoening jegens God. Een bekend historisch voorbeeld is dat van Pepijn de Korte, de vader van Karel de Grote, die naar verluidt opdracht gaf om vóór de ingang van de Kathedraal van Saint-Denis in Parijs met het gezicht naar beneden te worden begraven, als boetedoening voor de zonden van zijn vader. Pas ver na zijn sterfjaar 768 zou die laatste wens in vervulling gaan.

Maar archeologen zien vanaf het begin van de veertiende eeuw in Europa opeens een sterke toename van het aantal lichamen dat met het gezicht naar beneden wordt begraven, waarbij sommige aan de rand van de gewijde grond rond kerken werden bijgezet. Deze verandering viel samen met de verwoestende pestepidemieën die Europa voor het eerst in 1347 troffen en uiteindelijk miljoenen levens op het hele continent zouden eisen. 

“Er verandert iets,” zegt Alterauge, tevens doctoraalstudente aan de Duitse Ruprecht-Karls-Universität Heidelberg.

Omdat de pest méér slachtoffers eiste dan plaatselijke gemeenschappen konden begraven, werd de aanblik en het geluid van tot ontbinding overgaande lijken een afschuwwekkend maar vertrouwd verschijnsel. De lijken raakten opgeblazen en bewogen soms, terwijl de met gassen gevulde ingewanden van de doden weerzinwekkende en verrassende geluiden produceerden. De lijken droogden soms op onverklaarbare wijze uit, waarbij het haar en de nagels leken te groeien terwijl het vlees eromheen verschrompelde. 

De rottende “lijken bewogen en maakten smakkende geluiden. Het leek wel alsof ze zichzelf en hun lijkwaden verteerden,” zegt Alterauge.

Op deze veertiende-eeuwse tekening is uitgebeeld hoe slachtoffers van de pest worden begraven. In het Duitse volksgeloof doken figuren als de Nachzehrer (‘naverteerder’) en Wiedergänger (‘wederganger’) op, die mogelijk zijn voortgekomen uit het enorme sterftecijfer als gevolg van de pest.

Foto van Illustratie Hulton Archive/Getty

Op zoek naar een verklaring voor deze wanstaltige aanblik en geluiden hebben de middeleeuwse Europeanen waarschijnlijk ook hun toevlucht genomen bij het oude volksgeloof rond ‘ondoden’, een geloof dat al langer in de Slavische delen van Oost-Europa de ronde deed. “In Duitsland vinden we het concept van de vampier niet,” zegt Alterauge, “maar we zien wel ideeën over lijken die nog rondwaren.” Dat soort ideeën, afkomstig uit Slavische gebieden in Oost-Europa, beginnen halverwege de veertiende eeuw, niet lang na de eerste grote pestepidemie, ook in West-Europa voet aan de grond te krijgen.

De logica van de ‘ondoden’

Vóór de veertiende eeuw is er in de middeleeuwse folklore van het Duitstalige Europa sprake van goede geesten, die terugkeren uit de dood om dierbaren te waarschuwen of te helpen. Maar in een tijdperk van plagen namen deze volksverhalen een sinistere vorm aan en gingen over ‘wedergangers’, oftewel rondwarende ondoden. 

“Deze verschuiving van goede naar kwade geesten vindt plaats tussen 1300 en 1400,” zegt Matthias Toplak, een archeoloog van de Eberhard Karls Universität Tübingen in Duitsland die niet bij de nieuwe studie was betrokken.

Alterauge zocht in de middeleeuwse folklore naar aanwijzingen en vond vertellingen over ‘Nachzehrer’, een begrip dat vertaald kan worden als ‘naverteerders’, oftewel rusteloze en vraatzuchtige ondoden die zichzelf en hun lijkwaden verteerden en daarna de levenskracht uit overlevende verwanten zogen. 

Het leven in de tijd dat steden broeinesten van ziekten waren
Steden waren van oudsher centra van handel, bedrijvigheid en… ziekten. In het begin van de 19e eeuw raakten steden zo dichtbevolkt dat ziekten zich op een ongekende schaal verspreidden. Alle hoop leek verloren tot er een aantal cruciale wetenschappelijke ontdekkingen werden gedaan, die een omslag betekenden op het gebied van hygiëne en volksgezondheid.

“In historische bronnen wordt vermeld dat Nachzehrer voortkwamen uit een ongebruikelijk of vroegtijdig overlijden,” zegt Alterauge. “De theorie luidde dat iemand een Nachzehrer werd als hij of zij de eerste in het dorp was die tijdens een pestepidemie overleed.”

In een door plagen geteisterd Europa berustte deze legende op een overtuigende logica: omdat nauwe verwanten van het slachtoffer binnen enkele dagen na de begrafenis eveneens symptomen begonnen te vertonen en bezweken, moet het hebben geleken alsof ze vanuit het bewuste graf werden verdoemd. 

“De achtergrond van al deze bovennatuurlijke opvattingen was ongetwijfeld de plotselinge dood van meerdere personen uit één dorp of gehucht,” zegt Toplak. “Het is logisch dat mensen geesten de schuld gaven en maatregelen namen om te voorkomen dat de doden zouden terugkeren.”

Men vreesde de naargeestige Wiedergänger – ‘wedergangers’ – die als ondode lijken uit hun graven opstonden en door de omgeving spookten. “Als je iets verkeerds had gedaan, je levenstaken door een vroegtijdige dood niet tijdens je leven had kunnen afmaken of iets moest goedmaken of wreken, dan kon je Wiedergänger worden,” legt Alterauge uit. 

Uit het nieuwe onderzoek blijkt een sterke toename van het aantal lichamen dat tussen de veertiende en zeventiende eeuw aan de rand van kerkhoven en met het gezicht naar beneden werd begraven. De onderzoekers stellen dat het gebruik, althans in dit deel van Europa, de voorkeur genoot om te voorkomen dat kwaadwillende ondoden zouden terugkeren en op de nabestaanden zouden jagen.

Maar er zijn archeologen die denken dat er ook andere verklaringen mogelijk zijn. In een wereld die werd geteisterd door dodelijke plagen, kan het begraven van het eerste slachtoffer in een dorp een symbolische daad zijn geweest, een wanhopige poging om verdere rampspoed af te wenden. 

“Als iemand heel ziek werd, moet dat zijn overgekomen als een straf van God,” zegt Petar Parvanov, een archeoloog van de Central European University in Boedapest die niet bij het nieuwe onderzoek was betrokken. “‘Omgekeerde’ grafleggingen waren een manier om de mensen op de begrafenis iets duidelijk te maken, namelijk dat de samenleving te veel zonde toeliet en dat daarvoor boetedoening nodig was.”

Volgens archeologe Sandra Lösch, een van de auteurs van het nieuwe onderzoek en hoofd van de afdeling fysische antropologie van het Institut für Rechtsmedizin, onderdeel van de Universität Bern, zou nader onderzocht moeten worden of er een direct verband bestaat tussen ‘omgekeerde’ grafleggingen en uitbraken van de pest. Door het oude DNA van de overledenen te analyseren zou het bijvoorbeeld mogelijk zijn om specifieke pestbacteriën aan te tonen, terwijl isotopenonderzoek van de botten en tanden van de slachtoffers “zou kunnen wijzen op sporen van een dieet of geografische afstamming die verschilt van de rest van de populatie,” wat hun ongebruikelijke graflegging zou kunnen verklaren.

Omdat plaatselijke opgravingen vaak niet wetenschappelijk zijn gepubliceerd, hoopt Alterauge dat er de komende jaren meer bewijzen zullen opduiken. Archeologen zullen daarbij eerdere aanwijzingen opnieuw onder de loep nemen en ongebruikelijke begrafenissen in een nieuw licht bekijken. “Ik denk zeker dat er meer voorbeelden te vinden zijn,” aldus Lösch.

Dit artikel werd oorspronkelijk in het Engels gepubliceerd op NationalGeographic.com

Lees meer