Córdoba’s schitterende Mezquita getuigt van het moslimverleden van Spanje

De hoofdstad van de Omajjaden-dynastie werd in 1236 door christelijke troepen ingenomen, maar de prachtige moskee bleef grotendeels intact en werd tot kathedraal gewijd.

Door Yolanda Victoria Olmedo Sánchez
Gepubliceerd 22 aug. 2022 11:11 CEST
Majesty of two faiths

De artistieke stijlen van zowel de islam als het christendom zijn overal in de Moskee-Kathedraal of ‘Mezquita’ van Córdoba te bewonderen – van de renaissancistische Capilla Mayor in het centrum van het complex tot de weelderige sinaasappelboomgaard. 

Foto door S. Deng, Alamy, ACI

Op 30 juni 1236 reed koning Ferdinand III van Castilië de stad Córdoba binnen, waarmee een einde kwam aan een vijf maanden durend beleg van zijn troepen rond het centrale plein van de stad. De Spaanse Reconquista (herovering) van het islamitische Al-Andalus boekte stukje bij beetje terrein, en Córdoba, de hoofdstad van het tiende-eeuwse Omajjadische kalifaat, was het zoveelste moslimbastion dat werd veroverd. Ooit was Córdoba de machtigste en grootste stad van Al-Andalus geweest, en tevens de plek waar een van de wonderen van de islamitische architectuur stond, de Aljama-moskee. 

Een dag voordat de koning zijn entree maakte in de stad, die inmiddels was ontruimd door de moslims, verliet een groep Castilianen de plek waar ze hun kamp hadden opgeslagen, betraden de ommuurde stad via de Algeciras-poort en reden naar de Aljama-moskee, waar ze een kruis en een Castiliaanse vlag op de top van de minaret plaatsten. Een paar uur later heiligde de bisschop van Osma het bouwwerk als kathedraal, wijdde het hoofdaltaar en droeg een speciale inwijdingsmis op. In een oogwenk was de Aljama-moskee in een christelijke kathedraal veranderd. 

De grote moskee van Córdoba werd door de moslimheersers van Al-Andalus meerdere keren uitgebreid. De hypostyle zaal oogt groter dan hij eigenlijk is dankzij de zich herhalende zuilenrijen en decoraties, die de illusie van een oneindige ruimte creëren. 

Foto door Alamy, ACI

Magnifieke Mezquita 

Het nieuwe begin dat in 1236 door Ferdinand III was ingezet, was niet de eerste transformatie die deze stad aan de voet van de Sierra Morena in het zuiden van Spanje had ondergaan. Volgens een legende was Córdoba in de tweede eeuw v. Chr. gesticht door de Romeinen, die er een tempel ter ere van Janus bouwden, de godheid met de twee gezichten van het nieuwe begin (‘oud en nieuw’). Zo’n achthonderd jaar later veroverden de Visigoten het grootste deel van het Iberisch schiereiland en in 572 nam de Visigotische koning Leovigild Córdoba in, waarna er een christelijke basiliek verrees. 

(Deze oude stad van de sultans is een 21e-eeuws Spaans wonder.) 

Op deze ingekleurde ets uit 1836 van Charles Joseph Hullmandel is te zien hoe mensen knielen om te bidden in de Capilla Real van de Mezquita in Córdoba, Spanje.  

Foto door Bridgeman, ACI

Het volgende ‘nieuwe’ begin kwam bijna tweehonderd jaar later, toen het expanderende kalifaat van de Omajjaden rond 711 vanuit Noord-Afrika het Iberisch schiereiland veroverde. Moslimtroepen beheersten al snel het grootste gedeelte van het schiereiland en noemden het veroverde gebied Al-Andalus. De provinciale hoofdstad werd Córdoba, terwijl Damascus in Syrië de hoofdstad van het kalifaat als geheel bleef. 

Enkele decennia later, in 750, werden de Omajjaden verslagen en in Damascus opgevolgd door een andere machtige moslimdynastie, die van de Abbasiden. Abd al-Rahman, een telg uit de Omajjadische dynastie, vreesde voor zijn leven en verliet Damascus. Op de hielen gezeten door Abbasidische soldaten vluchtte Al-Rahman door heel Noord-Afrika en bereikte uiteindelijk Al-Andalus op het Iberisch schiereiland, waar hij meerdere bondgenoten vond, de heersende gouverneur versloeg en zijn nieuwe hoofdstad in Córdoba vestigde. Córdoba was nu een Omajjadisch emiraat, met Abd al-Rahman I als emir. Het was het begin van een tijdperk van groei en glorie voor de stad. 

(Wie waren de Moren?

Toen zijn positie eenmaal veilig leek, liet Al-Rahman in 786 de Visigotische basiliek afbreken en begon hij aan de bouw van een nieuw heiligdom op de plek van de kerk. De stad floreerde en werd een centrum van scholing en cultuur, terwijl er overal in Al-Andalus schitterende staaltjes van architectuur verrezen. De bouw van de grote moskee werd niet onderbroken door de dood van Al-Rahman, in 788. Zijn zoon Hisham en diens opvolgers zetten het werk de daaropvolgende twee eeuwen voort. 

Tijdens zijn verblijf in Córdoba, in 1833, schreef de Britse schilder David Roberts: ‘De leeuw van Cordova is de Moskee, die alleen onderdoet voor die in Mekka. (...) Uit de plattegrond die ik heb getekend, kan ik afleiden dat zich hier 632 zuilen van gepolijst marmer bevinden (...), waarvan sommige zeer sierlijk in hun verhoudingen zijn.’ Op Roberts’ kleurrijke doek uit 1849 is de mihrab op de achtergrond te zien. 

Foto door Bridgeman, ACI

Een van de beroemdste elementen van de moskee is de enorme gebedsruimte in de vorm van een hypostyle zaal met torenhoge symmetrische zuilen, waarvan er enkele afkomstig zijn uit obsolete Romeinse gebouwen. De zuilen worden overwelfd door geschakeerde bogen van witte natuursteen en rode baksteen en lijken zich rij na rij bijna eindeloos voort te zetten, zodat de zaal veel groter en weidser oogt dan hij eigenlijk is. 

Een van de plekken in de zaal die de blik van de bezoeker aantrekt, is de mihrab, de gebedsnis die in moskeeën aangeeft welke muur op Mekka, de geboorteplaats van de islam, is gericht. De fraai bewerkte gouden boog rond de ingang tot de mihrab concentreert de blik op de gewijde ruimte, waarboven een plafond van elkaar doorsnijdende gewelfribben en een spectaculaire koepel verrijzen. 

De Omajjaden van Córdoba spaarden bij het verfraaien van de moskee kosten noch moeite en voegden er nog een binnenhof, fonteinen, een sinaasappelboomgaard en een overdekte wandelgang aan toe. Het misschien wel meest opvallende element van de moskee was de minaret, de hoge toren waarvanaf moslims worden opgeroepen tot het gebed. Het was Abd al-Rahman III die volgens velen de eerste ‘echte’ minaret van de moskee liet bouwen, van 951 tot 952. Het oorspronkelijke grondplan van de minaret was vierkant, waarboven het gebouw zich langzaam naar boven toe versmalde. Op de top prijkte een vergulde koepel met daarbovenop de ijzeren piron (de spits) die in de islamitische architectuur jamoer wordt genoemd. 

In de schaduw van de klokkentoren van de Mezquita wordt het altaar van de ‘Maagd van de Lantaarns’, aan de buitenzijde van de noordmuur van de kathedraal, ’s avonds verlicht. 

Foto door Anna Serrano, Gtres

Behoud en verandering 

Door onderlinge twisten begon de heerschappij van de Omajjaden in Al-Andalus aan het begin van de elfde eeuw te verzwakken, wat koning Ferdinand III en zijn troepen uiteindelijk in de gelegenheid stelde de stad in 1236 in te nemen. De Castilianen mogen de spirituele functie van de moskee dan radicaal hebben veranderd, ze dachten er niet over om het gebouw af te breken. Ze erkenden de pracht van de architectuur, die door talloze christelijke kroniekschrijvers werd geroemd. In zijn verhalenbundel Libros de ejemplos del conde Lucanor (1335; ‘Boek over de daden van graaf Lucanor’) laat don Juan Manuel, de kleinzoon van Ferdinand III, de moskee beschrijven door een van zijn personages: ‘Een van de mooiste moskeeën die de Moren in Spanje hadden, geprezen zij God! Het is nu een kerk genaamd “Sint-Maria van Cordova” en deze kerk werd door de goede koning Ferdinand gewijd aan de heilige Maria, nadat hij Cordova op de Moren had veroverd.’ Halverwege de vijftiende eeuw drukte ook de Cordobaanse schrijver Jerónimo Sánchez zijn grote bewondering voor het gebouw uit en noemde het een wereldwonder: ‘Een tempel die alle loftuitingen waardig is en wiens uitzonderlijk betoverende schoonheid de geest van diegenen die hem aanschouwen, verheft.’ 

In de eerste twee eeuwen na de christelijke herovering werden de bestaande ruimten van de Mezquita aangepast aan de katholieke liturgie, maar bouwkundig werd er weinig aan de voormalige moskee veranderd. Veel aanpassingen werden bovendien in de Mudejar-stijl uitgevoerd, waarin christelijke vormelementen werden gecombineerd met de islamitisch-decoratieve traditie in de architectuur. De Koninklijke Kapel (Capilla Real), die in 1371 werd voltooid, was een van de eerste ruimten die in deze stijl werd aangepast, onder andere met een betegelde plint, stucwerk en een fraai ribgewelf met muqarnas (stalactietachtige kraagstenen). Na de wijding van de moskee tot kathedraal werd de minaret omgebouwd tot klokkentoren. 

De bouw van de Capilla Real werd in 1371 voltooid en bekostigd door de Castiliaanse koning Enrique II, die er de stoffelijke resten van zijn voorgangers wilde bijzetten. De kapel wordt bekroond door een vierkant gewelf van elkaar kruisende ribben. Op de foto is een van de wanden met zijn centrale boog en schitterende decoratieve stucwerk te zien. 

Foto door Alamy, ACI

De belangrijkste verandering die tijdens de eerste fase na de herovering van het gebouw werd aangebracht, was de toevoeging van talloze privékapelletjes langs de binnenmuren van het complex. Hier werden leden van de voornaamste families van de stad bijgezet, en er zijn aanwijzingen dat men meteen na de herovering van de stad met de bouw ervan is begonnen. Een van de eerste van deze kapellen wordt in 1262 in de bronnen vermeld, toen een man genaamd Juan Pérez Echán een contract sloot waarin hij toestemming kreeg voor de bouw van een kapel met decoraties van maaswerk en een altaar. 

Eind vijftiende, begin zestiende eeuw werden de belangrijkste ingrepen in het complex doorgevoerd. De eerste grote verbouwing van het interieur vond tussen 1486 en 1496 plaats, toen bisschop Íñigo Manrique een gotisch langschip vóór de Capilla Mayor liet bouwen, een ruimte die later de Capilla de Villaviciosa werd genoemd. De kapel had al sinds de herovering door Ferdinand III als voornaamste christelijke gebedsruimte gediend, dankzij het bovenlicht dat in de tiende eeuw onder Hakam II was aangebracht. 

Latere renovaties werden grotendeels uitgevoerd door de Ruiz-dynastie van architecten: vader, zoon en kleinzoon Hernán Ruiz waren opeenvolgend de hoofdarchitecten van de kathedraal. Ze ontwierpen en leidden de bouw van nieuwe elementen en waren ook verantwoordelijk voor bouwtechnische problemen. Vader Hernán Ruiz (‘de Oudere’) zag toe op de transformatie van de binnenhof van de moskee tot een kruisgang in gotische Mudejar-stijl. 

(Bekijk de Notre-Dame de Paris in zestien oude foto’s uit ons archief.

Nadat ze Córdoba in 1236 hadden ingenomen, voerden de katholieke Castilianen de eerste mis op onder het prachtige bovenlicht dat onder Hakam II was gebouwd. Dit deel van de moskee werd later verbouwd tot de Capilla de Villaviciosa. 

Foto door Günter Gräfenhain, Fototeca 9x12

Capilla Mayor 

De bouw van de nieuwe Capilla Mayor en een nieuw koor, naar een ontwerp van Hernán Ruiz de Oudere, was een keerpunt in de aanpassing van de Mezquita. Het project hield in dat de oorspronkelijke Capilla Mayor werd verplaatst naar het centrum van de kathedraal, waar de ruimte volgens bisschop Alonso Manrique ‘beter zou zijn dan waar hij nu is, in de hoek van de kerk.’ 

Het project was zeer omstreden en leidde tot een stevige aanvaring tussen leden van het stadsbestuur en het bisdom. Meerdere raadsheren (de Veintiquatros, ‘de 24’) waren eigenaar van privékapellen in en rond de oorspronkelijke Capilla Mayor en vreesden dat ze aan status zouden inboeten als de belangrijkste gebedsruimte verplaatst zou worden. (Hoe dichter een ruimte zich bij het centrum van een kerk bevond, des te voornamer de plek.) Ook was men bang dat een aanzienlijk deel van de oorspronkelijke moskee verloren zou gaan, die volgens een van de protestverklaringen ‘vanwege de wijze waarop zij is gebouwd, uniek is in de wereld.’ 

In 1523 werd in het hart van de voormalige moskee begonnen aan de bouw van de Capilla Mayor. De hoofdkapel werd gedecoreerd met meer traditionele christelijke kunst, waaronder een zeventiende-eeuws altaar van marmer en schilderijen waarop de tenhemelopneming van de Maagd Maria was uitgebeeld. 

Het geschil liep zó hoog op dat de Veintiquatros lieten weten dat ‘het vakmanschap dat ongedaan wordt gemaakt van een kwaliteit is die niet met dezelfde bekwaamheid en perfectie hersteld zou kunnen worden.’ Ze dreigden zelfs de bouwers iets aan te doen die aan de sloop werkten, maar bisschop Alonso Manrique was vastbesloten om de verbouwing door te zetten en reageerde door de Veintiquatros te excommuniceren en daarna een beroep te doen op de kroon. Koning Karel V verleende toestemming voor de toevoegingen aan het centrum van de moskee, waarna de bouwwerkzaamheden in de herfst van 1523 begonnen. 

(Bewonder de schoonheid van de gebrandschilderde ramen in de Mezquita van Córdoba.) 

Na drie jaar van werkzaamheden reisde Karel V samen met zijn nieuwe vrouw Isabella van Portugal af naar Córdoba en bezocht het project in de kathedraal. Naar verluidt was hij teleurgesteld over de verbouwing, waarvoor hijzelf toestemming had gegeven. Volgens de overlevering zou hij zelfs vernietigende kritiek op het resultaat hebben geleverd: ‘U heeft iets unieks vernietigd om iets middelmatigs te bouwen.’ 

Een van de laatste toevoegingen aan de Mezquita was deze kapel, die eind zestiende eeuw werd gebouwd. Het bouwwerk omvat drie beuken die worden bekroond met een ribgewelf. Rond een centraal schilderij van het Laatste Avondmaal, naar een ontwerp van de humanist Ambrosio de Morales, zijn doeken van Cordobaanse heiligen aangebracht. 

Foto door W. Cezary, Alamy, ACI

Voor de nieuwe Capilla Mayor ontwierp Hernán Ruiz de Oudere een rechthoekig schip in het centrum van de kathedraal. De ruimte bestond uit één centraal transept met twee lagere en smallere zijbeuken; het geheel werd bekroond door een magnifiek koepelgewelf. Voor het transept gebruikte Ruiz licht gepunte bogen en voor de zijbeuken kruisgewelven. Het idee van hoogte werd versterkt door de bogen van de voormalige moskee in het ontwerp op te nemen. Zijn doel was om het gebouw een christelijk aanzien te geven zonder de oorspronkelijke pracht van de islamitische gebedsruimte aan te tasten, maar de meningen over het resultaat zijn nog altijd verdeeld. 

(Wat weten we over de drieduizend moskeeën van Istanboel?

Er werd meerdere decennia aan de nieuwe Capilla Mayor gebouwd. Ruiz de Jongere ontwierp de hoofdabsis en ook de zijbeuken en het gewelf van het transept van de Capilla Mayor, die hij voorzag van gotisch ajourwerk en schilderingen van de maagd Maria. Nadat Hernán Ruiz de Jongere in 1569 was overleden, lagen de werkzaamheden aan het transept dertig jaar stil, waarna ze eind zestiende eeuw werden hervat onder bisschop Francisco Reinoso. De nieuwe hoofdarchitect, Juan de Ochoa, voegde een verlaagd tongewelf met prachtig stucwerk van Francisco Gutiérrez Garrido toe. 

Langs de binnenmuren van de Mezquita zijn talloze kapellen gebouwd, zoals op deze plattegrond van de Mezquita als geheel is te zien. 

Foto door Oronoz, Album

Een andere nieuwe gebedsruimte was de Capilla del Sagrario in de zuidoosthoek van het complex, met een façade die door kleinzoon Hernán Ruiz werd ontworpen. De schilderijen in het interieur werden in 1583 door de Italiaanse meester Cesare Arbasia vervaardigd en beelden het Laatste Avondmaal en verschillende Cordobaanse martelaren uit, naar een ontwerp van de Cordobaanse humanist Ambrosio de Morales. In 1589 werd de klokkentoren bij een aardbeving zwaar beschadigd, waarna een nieuwe toren werd gebouwd waarin gedeelten van de oude minaret waren opgenomen. De nieuwe toren werd ontworpen door Hernán Ruiz’ kleinzoon en bekroond door een standbeeld van de aartsengel Rafaël. 

Tijdens de Renaissance en de Barok werden nog meer privékapellen aan de Mezquita toegevoegd, waarvan sommige uitbundig waren gedecoreerd. De in marmer uitgevoerde Capilla de la Concepción, aan de westzijde van de kathedraal, werd van 1679 tot 1682 door Melchor de Aguirre gebouwd en door bisschop Fray Alonso de Medina Salizanes als grafkapel ingericht. Eind zeventiende, begin achttiende eeuw werd nog een andere grafkapel aan de oostzijde van de kerk gebouwd: de Capilla de Santa Teresa, een bouwwerk in barokke stijl van Francisco Hurtado Izquierdo en Teodosio Sánchez de Rueda. De Capilla de Santa Inés werd in de tweede helft van de achttiende eeuw in neoclassicistische stijl gebouwd. 

Gezien vanuit het zuiden wordt de adembenemende hypostyle zaal en de centrale Capilla Mayor van de kathedraal omringd door een doolhof van kleinere kapellen, heilige deuren en idyllische tuinen. 

Bezoekers aan de Mezquita zijn onveranderlijk onder de indruk van de pracht van het gebouw en de wijze waarop het de visuele stijlen van twee religies omarmt. In 1984 werd de Mezquita door de UNESCO uitgeroepen tot Werelderfgoed, waaraan in 1994 nog eens tachtig hectare aan historische monumenten werd toegevoegd, waaronder een deel van het oude centrum van Córdoba, het paleisfort – de Alcázar – en, aan de overzijde van de rivier de Guadalquivir, de Romeinse Brug en de Torre de la Calahorra. Door zijn opname in de Werelderfgoedlijst konden de Mezquita van Córdoba en de omringende monumenten ten behoeve van volgende generaties worden bestudeerd, erkend en behouden. 

Dit artikel werd oorspronkelijk in het Engels gepubliceerd op nationalgeographic.com.

Lees meer

Dit vindt u misschien ook interessant

Geschiedenis en Cultuur
Magellan kreeg weliswaar alle eer, maar deze man zeilde als eerste rond de wereld
Geschiedenis en Cultuur
China hield vondst van dit oude scheepswrak decennialang geheim
Geschiedenis en Cultuur
Welke mysterieuze boodschap stond op de windselen van deze mummie?
Geschiedenis en Cultuur
Geleerden debatteren nog altijd over Jezus’ laatste dagen
Fotografie
Treed binnen in de Verboden Stad van China – bijna 500 jaar lang het domein van de keizer en zijn hof

Ontdek Nat Geo

  • Dieren
  • Milieu
  • Geschiedenis en Cultuur
  • Wetenschap
  • Reizen
  • Fotografie
  • Ruimte
  • Video

Over ons

Abonnement

  • Abonneren
  • Schrijf je in
  • Shop
  • Disney+

Volg ons

Copyright © 1996-2015 National Geographic Society. Copyright © 2015-2021 National Geographic Partners, LLC. Alle rechten voorbehouden.