De mummies die niemand kent

De mummies van Tenerife kregen een laatste rustplaats in grotten, maar over hun oorsprong was lang weinig bekend. Dankzij moderne apparatuur en technieken komen we echter steeds meer te weten over deze vroege bewoners van de Canarische eilanden.

Door Emma Lira
foto's van Fernando Velasco Mora
Gepubliceerd 3 aug. 2022 11:02 CEST
Deze mummie lag ooit in een grot op Tenerife waarvan de exacte locatie in de vergetel­heid ...

Deze mummie lag ooit in een grot op Tenerife waarvan de exacte locatie in de vergetel­heid is geraakt, al den­ken onderzoekers nu mogelijk de ligging van het graf te hebben achterhaald.

VANAF DE RAND van een klif voert een pad omlaag naar zee. Na ongeveer vier kilo­meter gestaag afdalen, stop ik met lopen. Daar sta ik dan, bij de ingang van een grot die nauwelijks opvalt. Ik kijk omhoog langs de steile rotswand, waarin nog eens honderden grot­ten liggen verscholen. Ze zijn in de loop van eeuwen ontstaan in de lagen lava die de vulkaan El Teide heeft afgezet. Wellicht dat een van die grotten de plek is waarnaar we nu op zoek zijn, een deel van de geschiedenis dat nog niet is beschreven. In deze kloof in het zuiden van Tenerife, het grootste eiland van de Canarische Eilanden, ont­dekte de Spaanse regent en infanterie kapitein Luis Román in 1764 een bijzondere grot. Een lokale priester en schrijver noemde de vondst acht jaar later in een boek over de geschiedenis van de eilandengroep: ‘Er is hier een uniek pan­theon ontdekt,’ schreef José de Viera y Clavijo. ‘Het ligt vol met mummies, minimaal duizend.’

De vulkaan El Teide op Tenerife is de hoogste berg van Spanje. De vulkanische bodem van de archipel is dooraderd met lavagangen, die zich goed leenden als grafruimten.

Volgens kronieken uit de achttiende eeuw is de mythische ‘grot van de duizend mummies’ een van honderden grotten in de Barranco de Herques.

En een mythe was geboren

Verhalen die zich afspelen op het snijvlak van werkelijkheid en waanzin prikkelen de verbeel­ding. Nu, tweeënhalve eeuw later, staan we in de Barranco de Herques, vanwege de mummie­grotten ook wel ‘ravijn van de doden’ genoemd. Volgens lokale archeologen zou de mythische ‘grot van de duizend mummies’ zich in deze kloof moeten bevinden. Schriftelijke aanwijzingen zijn er niet; de locatie van de grot is alleen mondeling doorgegeven aan een select groepje lokale eilan­ders. Wandelaars die zich op het pad begeven, hebben al helemaal geen weet van de grot.

Ik voel me dan ook bevoorrecht dat ik nu met bevriende eilandbewoners op zoek ben naar de plek waar ze hun voorouders hopen te vinden. Ik hurk neer bij de ingang, zet mijn hoofdlamp aan en ga plat op mijn buik liggen. Wie deze bij­zondere locatie wil bereiken, moet de eerste paar meters kruipend afleggen. Maar aan het eind van deze krappe doorgang wacht een beloning: een hoge ruimte die ons hopelijk meer informatie verschaft over het verleden van het eiland.

‘We gaan ervan uit dat de uitspraak ‘duizend mummies’ een overdrijving was, een manier om aan te geven dat het er heel veel waren, honder­den bijvoorbeeld,’ zegt historicus en egyptoloog Mila Álvarez Sosa. Onze ogen wennen langzaam aan het donker. We speuren de ruimte af, op zoek naar tekenen van een necropool in deze boch­tige lavatunnel, die deel uitmaakt van het wijd­vertakte ondergrondse gangenstelsel.

Er werden op het eiland al eerder mummies gevonden, maar het pantheon van de negen mencey­ koningen, lokale vorsten die in de tijd voor de kolonisatie over de eilanden heersten, is tot op heden nooit aangetroffen.

De locatie ervan werd geheim gehouden, maar juist vanwege het mysterieuze karakter ervan zijn Canarische archeologen erop gebrand de necropool te vinden. Niet iedereen is het daar­mee eens: sommige bewoners vinden dat de rotsgraven met rust gelaten moeten worden, uit respect voor hun voorouders, de Guanchen. Zij waren de oorspronkelijke bewoners van het eiland, maar zijn in de loop van de tijd opgegaan in de Spaanse bevolking. Anderen menen dat de graven door een aardverschuiving voorgoed aan het oog zijn onttrokken.

Nadat de Spanjaarden de mummies in de achttiende eeuw van hun laatste rustplaats hadden gelicht, raakte de locatie in de vergetel­heid. Enkele van de vondsten van toen zijn nog intact en worden nu tentoongesteld in musea. Ze bieden wetenschappers handvatten om de geschiedenis van de archipel in kaart te brengen: wie waren de eerste bewoners, wanneer kwamen ze aan, welke grafrituelen hielden ze erop na?

Geneticus Rosa Fregel (rechts) trekt een tand uit om aan de hand van het DNA de herkomst van de vroege eilandbewoners te achter halen. De oudste afbeeldingen van deze mensen werden gemaakt door bouwkundige Leonardo Torriani, die door het Spaanse hof naar de archipel werd gestuurd om fortificaties te ontwerpen. Zijn kaarten en tekeningen werden rond 1590 gepubliceerd.

TENERIFE WAS HET LAATSTE EILAND van de archipel dat werd veroverd door het koninkrijk Castilië. Het contrast tussen de bevolking en de strijdmachten moet groot zijn geweest bij de eerste confrontatie in 1494, denkt Álvarez Sosa: soldaten die per schip werden aangevoerd en met paarden en zwaarden ten strijde trokken, tegenover eilandbewoners die de steentijd net waren ontgroeid. Het eiland werd bevolkt door grotbewoners gehuld in dierenhuiden die stok­ken en stenen gebruikten als werktuigen. ‘Maar ze eerden hun doden,’ zegt Álvarez Sosa. ‘De lichamen werden gebalsemd en met veel eerbied klaargestoomd voor hun laatste reis.’

De kolonisten waren onder de indruk van de grafrituelen en brachten ze nauwgezet in kaart. Vooral het balsemen, door lokale bewo­ners mirlado genoemd, trok hun aandacht. Dat proces was van groot belang om de xaxo’s, zoals de Guanchemummies in de volksmond werden aangeduid, naar het hiernamaals te begeleiden.

De wanden van de grot geven niets prijs. Hier in het donker probeer ik me in te beelden hoe klein Luis Román zich moet hebben gevoeld toen hij de necropool betrad in het bijzijn van de eilandbewoners en honderden gebalsemde lichamen aantrof: hij werd vast overvallen door een mengeling van heiligschennis en opwinding. Vermoedelijk had dat laatste gevoel de overhand, want Román bracht enkele mummies voor onderzoek over naar Europa. De bevindingen werden beschreven in een verslag, maar over de locatie van de vindplaats werd opmerkelijk genoeg niet gerept. Wellicht deed hij dat om de grot te behoeden voor plunderingen. Hoe het ook zij, uiteindelijk wisten grafrovers de necropool te vinden: in 1833 vermeldden diverse bronnen dat alle lichamen waren verdwenen.

IK STA OP EN SLA HET STOF van mijn handen en knieën. Tegen beter weten in hoop ik dat we in een donker hoekje zelf op een achtergebleven xaxo (spreek uit als ‘haho’) stuiten.

De stoffelijke overschotten werden volgens een verrassend eenvoudig procedé geprepareerd. ‘Het lijkt sterk op het conserveren van voedsel,’ zegt Álvarez Sosa. ‘De lichamen werden inge­wreven met vet en gedroogde kruiden. Daarna werden ze afwisselend in de zon te drogen gelegd en gerookt bij een vuur.’ Het prepareren van een xaxo duurde vijftien dagen, terwijl dit proces bij Egyptische mummies zeventig dagen in beslag nam: veertig dagen drogen in natriumzout, vervolgens dertig dagen balsemen met oliën en specerijen, waarna er stro of proppen linnen in de buikholte werden gestopt en het lichaam in lappen werd gewikkeld. Een ander opmerkelijk verschil is dat vrouwelijke overledenen op de archipel werden gebalsemd door vrouwen.

Daarna werd de xaxo overgedragen aan de familie. Zij plaatsten de overledene in een zak van gedroogde en zorgvuldig aan elkaar genaaide huiden, meestal gemaakt van geitenleer. Het aantal lagen leer weerspiegelde de sociale status van de overledene. Deze gebruiken raakten niet alleen op Tenerife in zwang, ook op het naburige Gran Canaria zijn mummies aangetroffen. Daar werden overledenen gedecoreerd en beschil­derd, soms in diverse kleuren, in een rieten mat gewikkeld en vervolgens in een holle boomstam geplaatst. En ook op Gran Canaria werden de stof­felijke resten in grotten te ruste gelegd.

‘We hebben veel vragen, maar slechts weinig materiaal om te bestuderen,’ verzucht archeologe María García, curator bij het Instituut voor Bio­logische Antropologie in Santa Cruz de Tenerife. Ze onderzocht de circa dertig xaxo’s die worden bewaard in de koeling van de organisatie. Deze xaxo’s werden gevonden door wandelaars en herders op diverse plekken op Tenerife. Maar wat is er gebeurd met de ‘duizend mummies’? Of was dit slechts een verzinsel?

‘Systematische plunderingen,’ zegt García stellig. ‘In de zeventiende en achttiende eeuw ontstond er vanuit de Europese elite een grote vraag naar mummies. Onze xaxo’s zwermden uit over de wereld. Ze werden opgenomen in collecties van musea en particulieren en sommige werden zelfs verwerkt in afrodisiacum.’ Hoewel we beschikken over een intacte Guanche mummie en delen van nog eens bijna veertig andere, is er over hun graven nog maar heel weinig bekend. ‘Nog nooit heeft een archeo­loog een xaxo aangetroffen in zijn oorspronke­lijke rustplaats,’ legt García uit.

Het mummificeren van een overledene werd door de vroege inwoners van Tenerife en Gran Canaria mirlado genoemd en uitgevoerd door professionele balsemers. Na het balsemen werd het stoffelijk overschot door familieleden naar zijn laatste rustplaats gebracht.

HET IS NIET DE EERSTE KEER dat ik op de Cana­rische Eilanden op zoek ga naar antwoorden. Acht jaar geleden liet ik me in een klimgordel afzakken langs de steile rotswand in de kloof om een tiental grotten te bestuderen. Ik las histo­rische verslagen uit de vijftiende en zestiende eeuw en vroeg kenners het hemd van het lijf over de herkomst van de vroege bewoners van de eilandengroep.

Op de mythische ‘fortuinlijke eilanden’, zoals de archipel door de Romeinen werd gedoopt, gingen ooit zeelui uit het Middellandse Zee­gebied aan wal. Later, in de Middeleeuwen, merkten bezoekende Europeanen dat deze eilanden, in tegenstelling tot andere archipels in de Atlantische Oceaan, bewoond waren en dat de bevolking er vermoedelijk al eeuwen geïsoleerd leefde. In reisverslagen werden de inwoners omschreven als lange mensen met een Kaukasisch uiterlijk, wat leidde tot de inmiddels ontkrachte hypothese dat de eilanders zouden afstammen van Baskische, Iberische, Keltische of Vikingachtige schipbreukelingen. Toen ik de archipel weer verliet, was ik niet veel wijzer geworden. Maar dankzij de moderne technologie zijn er inmiddels heel wat vragen beantwoord. De mummies hebben gesproken.

ALS IK NU WERKELIJK IN DE GROT STA die José de Viera y Clavijo beschreef, dan is dit de plek waar de mummie op pagina’s 16­17 begon aan zijn omzwervingen. In 1764 werd hij als geschenk voor Karel III van Spanje naar Madrid verscheept, zodat het hof kon aanschouwen met hoeveel vak­manschap de Guanchen hun doden het eeuwige leven schonken. In 1878 was de mummie te zien op de wereldtentoonstelling in Parijs, waarna hij weer terugkeerde naar Madrid. Daar lag hij ruim een eeuw in het Nationaal Antropologisch Museum. In 2015 werd hij overgebracht naar zijn huidige rustplaats, het Nationaal Archeo­logisch Museum, evengoed in Madrid. In juni 2016 maakte de mummie onder streng toezicht nog één korte trip: voor een CT­scan werd hij overgebracht naar een nabijgelegen ziekenhuis.

‘We hadden al scans van Egyptische mum­mies,’ zegt Javier Carrascoso, plaatsvervangend hoofd van de afdeling radiologie van het Uni­versitair Ziekenhuis Quirónsalud in Madrid, dat zijn apparatuur ter beschikking stelde voor het onderzoek naar de Guanchemummie. Uit de scan bleek dat het lichaam niet op natuurlijke wijze was uitgedroogd én dat het mummificatieproces van de Guanchen verschilde van de methoden die in Egypte werden toegepast.

“‘In de zeventiende en achttiende eeuw ontstond er vanuit de Europese elite een grote vraag naar mummies.’ ”

door —María García, archeoloog en curator

‘De uitkomsten waren indrukwekkend,’ zegt Carrascoso. ‘ De Guanchemummie was veel beter geconserveerd dan Egyptische mummies.’ De spieren waren nog zichtbaar, vooral in de handen en voeten. ‘Het leek wel een houten Christus­beeld,’ zegt hij. Maar het bijzonderste detail was niet met het blote oog zichtbaar: anders dan bij Egyptische tegenhangers was het binnenste van de Guanchemummie nog intact. De organen, inclusief de hersenen, waren perfect gecon­serveerd. Dankzij een mengsel van mineralen, aromatische kruiden, dennenbast, heide en hars van de inheemse drakenbloedboom werd ont­binding voorkomen, zowel inwendig als van­buiten. Met koolstofdatering kon worden vast­gesteld dat de mummie toebehoorde aan een lange, gezonde man die mogelijk afkomstig was uit gegoede kringen, gezien de goede staat van zijn handen en voeten. Hij was vermoedelijk tus­sen de 35 en veertig jaar oud toen hij achthonderd tot negenhonderd jaar geleden stierf, lang voor de komst van de Castilianen. De ruggengraat vertoonde een vervorming die vaker voorkomt bij Noord­Afrikanen, en ook zijn gelaatstrekken wezen in de richting van het naburige continent.

Rosa Fregel, die onderzoek doet naar de vroege bewoners van het eiland aan de Universiteit van La Laguna op Tenerife, paste de nieuwste DNA­technieken toe op veertig xaxo’s. Haar bevindingen bevestigen wat eerder al werd gedacht: de mummies zijn verwant aan de vroeg­ste inwoners uit de Maghreb, een gebied waartoe nu Mauritanië, de Westelijke Sahara, Marokko, Algerije, Tunesië en Libië worden gerekend. Dat ze hun wortels delen, betekent niet dat alle eilan­ders afkomstig waren uit dezelfde plaats of uit dezelfde tijd stammen. ‘We zien bij de bevolking van elk eiland andere kenmerken,’ legt Fregel uit.

Waar historische bronnen al eerder wezen in de richting van Noord­Afrika als de plaats van herkomst, werd dat nu door de weten­schap bevestigd. Eeuwen voor de opkomst van de islam in Noord­Afrika werd het gebied bevolkt door Numidische clans. De Grieken en Romeinen noemden dit volk minachtend Berbers (‘ barbaren’), terwijl de Numidiërs de voorkeur gaven aan de naam Imazighen (‘vrije mensen’). Ze leefden als boeren en veefokkers, en sommi­gen brachten hun handelswaar en dieren mee naar de archipel. Waarom trokken ze weg uit hun dorpen in de Maghreb? En hoe bereikten ze deze eilanden, zo’n honderd kilometer voor de kust?

‘Er zijn verschillende migratiegolven geweest,’ zegt Teresa Delgado, conservator bij het Cana­risch Museum in Las Palmas. ‘Maar wellicht ging het steeds om heel kleine groepen, misschien zelfs om enkele families per keer. Het is goed mogelijk dat de Romeinse overheersing en de opkomst van de islam leidden tot een exodus.’

Volgens José Farrujia de la Rosa, hoogleraar archeologie en geschiedenis aan de Universiteit van La Laguna, zijn zeven van de acht eilanden de afgelopen tien eeuwen doorlopend bewoond geweest. De bevolking deelde fysieke kenmerken, en hun inmiddels uitgestorven talen stammen af van het Berbers dat in Libië werd gesproken. Farrujia de la Rosa wijst erop dat op de archipel aangetroffen grottekeningen gelijkenis vertonen met die in de Westelijke Sahara, Algerije en het Atlasgebergte in Marokko.

Met dank aan het Nationaal Archeologisch Museum (Madrid), Fernando Velasco Mora

‘Het leek wel een houten Christusbeeld,’ zegt radioloog Javier Carrascoso over een negenhonderd jaar oude Guanche-xaxomet zorgvuldig samengebonden handen en voeten.

OVER VEEL ANDERE VRAAGSTUKKEN zijn historici echter minder eensgezind. Er bestaan verschil­lende theorieën over hoe, wanneer en waarom de vroegste bewoners zich op het eiland vestigden. Mogelijk waren de pioniers Berberse rebellen die na een opstand tussen 25 v.C. en 25 n.C. naar de eilanden werden verdreven. ‘In de Romeinse wet werd verbanning naar de eilanden genoemd als straf,’ zegt Antonio Tejera Gaspar, die over het oproer geschreven heeft. ‘Na de val van Carthago liepen de spanningen in de regio flink op.’

Hij meent dat Juba II de vorst was die de rebellen deporteerde. De meeste historici zijn het erover eens dat Juba II de Canarische Eilan­den ontdekte. Hij werd geschoold in Rome en trouwde met Cleopatra Selene, de dochter van Marcus Antonius en Cleopatra. In een poging de bevolking te assimileren, gaf keizer Augustus het echtpaar de leiding over Mauretania, dat zich uit­strekte van het huidige Tunesië tot de Westelijke Sahara. Koning Juba besloot vervolgens alle uit­hoeken van zijn rijk te bezoeken. In de Naturalis historia van Plinius de Oudere wordt gerept over een expeditie van de vorst naar de ‘fortuinlijke eilanden’ in 46 v.C. Dit is de eerste vermelding van de eilanden. De archipel was toen nog niet bewoond, zegt Tejera Gaspar. Dat gebeurde pas een eeuw later, toen Rome opstandelingen ging verbannen, merkt hij op. Het was de kolonisten niet te doen om bodemschatten of andere rijk­dommen, want die waren er niet te vinden.

Maar klopt dat wel? Potscherven die in 2012 op het eilandje Lobos werden gevonden, bieden ruimte aan een andere theorie: vroege kolo­nisten bezochten de eilanden mogelijk juist wel vanwege de aanwezigheid van natuurlijke hulp bronnen. Archeologen groeven er potten, lantaarns, haken en harpoenen op. Deze waren geïmporteerd en gemaakt van niet­inheemse materialen. Dergelijke voorwerpen werden ook aangetroffen langs handelsroutes in het westelijk deel van het Middellandse Zeegebied. Gevonden resten van schelpdieren doen vermoeden dat seizoensarbeiders hier zochten naar Stramonita haemastoma, een slag waaruit het waardevolle Tyrisch purper werd gewonnen, een kleurstof die populair was onder Romeinse keizers.

Toch zijn er aanwijzingen dat de Canari­sche Eilanden al voor de Romeinse tijd werden bewoond. Op Tenerife zijn vondsten gedaan die dateren uit de zesde eeuw v.C., en op het weste­lijker gelegen La Palma werden voorwerpen aangetroffen uit de derde eeuw v.C. ‘Die date­ring is aannemelijk, vooral als je bedenkt dat de eilanden bevolkt zijn geraakt van oost naar west. Eerst werden de eilanden die het dichtst bij de Afrikaanse kust liggen gekoloniseerd, daarna pas de westelijker gelegen eilanden,’ zegt Farrujia de la Rosa. Hij vertelt dat op verschillende eilanden grotschilderingen zijn aangetroffen waarop mogelijk Fenicische schepen zijn afgebeeld.

Sommige wetenschappers plaatsen vraag­tekens bij de koolstofdatering. Geen van de men­selijke resten die zijn gevonden op de eilanden stammen van vóór de vierde eeuw, stelt Conrado Rodríguez, directeur van het Museum voor Natuur en Archeologie op Tenerife. Aanvullend archeologisch onderzoek zal in de toekomst hopelijk meer duidelijkheid verschaffen over de afstamming van de vroege inwoners.

WIE ZIJN WIJ? Veel onderzoeken draaien uit­eindelijk om de zoektocht naar onze herkomst. Wie weet vinden we het antwoord in een nog on­bekende grot, necropool of rotstekening. De topo­grafie van de eilanden, die worden gekenmerkt door kloven en ravijnen, uitgeharde lavavelden, grotten en winderige zandvlakten, lijkt er echter op gemaakt de geheimen voor altijd te verhullen.

Ik zet mijn hoofdlamp uit en laat de duisternis in de grot op me inwerken. Ik kwam hier om ant­woorden te vinden, maar keer straks terug met de wetenschap dat er altijd vragen onbeantwoord zullen blijven. Mijn collega’s, die allen afkom­stig zijn van de eilanden, halen een oude ganigotevoorschijn. Deze traditionele kom lijkt op de aardewerken schalen waaruit de Guanchen melk dronken om afspraken te bekrachtigen. Hun vraag aan mij is simpel: beloof je dat je de locatie van deze grot met niemand zult delen?

In het donker kan ik hun ogen niet zien, en toch weet ik dat die van hen net zo fonkelen als de mijne. Met hen en de zielen die deze grot eeuwen­lang bevolkten als mijn getuigen, antwoord ik: ja, dat beloof ik.

De Guanchemummie was in 1878 te bewon­deren op de Wereldtentoonstelling in Parijs. Decennialang was de linker­foto de beste afbeelding die van de mummie was gemaakt. Het gebalsemde lichaam was lange tijd te zien in het Nationaal Museum voor Antropologie, maar werd in 2015 verplaatst naar het Nationaal Archeologisch Museum in Madrid, waar het uitgebreid werd onderzocht.

Het haar dat aan de schedel is bevestigd, stamt uit dezelfde periode als het lichaam, de twaalfde of der­tiende eeuw, maar het is niet met zekerheid te zeggen of het bij het lichaam hoort. De CT-­scan toont aan dat Canarische xaxo’s niet van hun ingewanden werden ontdaan, in tegenstelling hun Egyptische tegen­hangers. De lever, nieren, longen en het hart zijn zichtbaar (links). De zeer goed geconserveerde huid, spieren en botten zijn gedroogd met behulp van kruiden, schors en lapilli (vulkanische steentjes) om ontbin­ding tegen te gaan.

Lees meer

Dit vindt u misschien ook interessant

Geschiedenis en Cultuur
Waarom Elizabeth II de meest onwaarschijnlijke koningin van het moderne Groot-Brittannië was
Geschiedenis en Cultuur
Maak kennis met deze onbekende mummies
Geschiedenis en Cultuur
Casanova in Venetië
Geschiedenis en Cultuur
Een pandemie in de tijd van Achnaton
Geschiedenis en Cultuur
Scherven van verlies

Ontdek Nat Geo

  • Dieren
  • Milieu
  • Geschiedenis en Cultuur
  • Wetenschap
  • Reizen
  • Fotografie
  • Ruimte
  • Video

Over ons

Abonnement

  • Abonneren
  • Schrijf je in
  • Shop
  • Disney+

Volg ons

Copyright © 1996-2015 National Geographic Society. Copyright © 2015-2021 National Geographic Partners, LLC. Alle rechten voorbehouden.