Op 12 februari 1877 hield een zaal met vijfhonderd toeschouwers de adem in. Vanuit een ruimte in Salem luisterden zij hoe 26 kilometer verderop in Boston de liederen Auld Lang Syne en Yankee Doodle op een orgel werden gespeeld. Even later klonk een stem: Thomas Watson, assistent van Alexander Graham Bell, heette het publiek welkom – via de telefoon.
Nog geen jaar eerder had Watson voor het eerst in de geschiedenis een telefoongesprek gevoerd. Nu maakte het grote publiek kennis met dit technologische wonder. Opmerkelijk genoeg zou de telefoon in zijn beginjaren vooral furore maken als… muziekapparaat.
Van ‘telephoon’ tot verrespreker
Na Bells demonstratie ging de verspreiding razendsnel. In 1878 bereikte de telefoon ook de Lage Landen. Maar hoe moest dat nieuwe apparaat eigenlijk heten?
Het woord telephoon werd gebruikt, maar niet iedereen was overtuigd. Kranten discussieerden druk over alternatieven. Geluidsdraad, spreekdraad en geluidsoverbrenger passeerden de revue. Een term die bleef hangen was verrespreker. Het Algemeen Handelsblad vond dat in 1877 logisch: we spreken tenslotte ook van een verrekijker.
In België werd even geëxperimenteerd met het woord klankleider, al werd tussen haakjes toch vaak ‘telefoon’ toegevoegd – de term die uiteindelijk wereldwijd zou blijven bestaan.
De eerste telefoonconcerten
In de beginjaren werd een nieuwe telefoonlijn vaak getest door een lied te zingen. De krant De Grondwet meldde in 1878 over een proef tussen Hellevoetsluis en Rotterdam:
‘Zoowel het gesproken als het aangeheven lied werd duidelijk verstaanbaar overgebracht.’
Wil je niets missen van onze verhalen? Volg National Geographic op Google Discover en zie onze verhalen vaker terug in je Google-feed!
Al snel ontdekten uitvinders dat de telefoon zich uitstekend leende voor muziek. In 1877 vond in Philadelphia het eerste telefoonconcert plaats. Pianist Frederick Boscovitz speelde, terwijl luisteraars in Steinway Hall in New York via een telefoonverbinding meeluisterden.
In Parijs zette ingenieur Clément Ader in 1881 een volgende stap. Hij plaatste tientallen microfoons in het operahuis en leidde het geluid via kabels naar luisterposten tweehonderd meter verderop. Bezoekers konden daar, via een headset, op afstand genieten van opera en theater.
Zijn uitvinding, de théâtrophone, werd een sensatie. Binnen tien jaar stonden luisterapparaten in cafés en publieke ruimtes. Voor vijftig cent kon men tien minuten meeluisteren. Vanaf 1911 konden welgestelde Parijzenaars zelfs thuis een aansluiting krijgen.
Muziek, kerkdiensten en beursberichten
Ook in Engeland sloeg het idee aan. Onder de naam Electrophone luisterden Britten niet alleen naar muziek en toneel, maar ook naar kerkdiensten. Een Nederlandse krant schreef in 1883 over een telefonische kerkdienst in Birmingham dat ‘het zingen en ook de preek zeer verstaanbaar’ waren.
In Nederland zelf werden telefoonconcerten geen groot succes, maar in 1956 bood de Nederlandse Service Centrale via zes telefoonlijnen muzikale verzoeknummers aan. Medewerkers draaiden simpelweg een grammofoonplaat en speelden die via de telefoon af.
Via andere lijnen konden bellers tegen betaling beursberichten, toeristische informatie, kindersprookjes en zelfs antwoorden op ‘de krankzinnigste vragen’ ontvangen.
Van telefoonlijn naar streamingdienst
Met de opkomst van de radio verdween het telefonische concert langzaam uit beeld. Muziek werd draadloos, bereikbaarder en goedkoper. Toch is de cirkel op een bepaalde manier rond. Waar de telefoon ooit een medium was om op afstand muziek te beluisteren, gebruiken we vandaag onze smartphone massaal om te streamen. Van operahuizen naar Spotify: de verbinding tussen telefoon en muziek is nooit helemaal verdwenen.
Meer ontdekken? Krijg onbeperkt toegang tot National Geographic Premium en steun onze missie. Word vandaag nog lid!













