Geschiedenis en Cultuur

De Synode van Dordrecht: een historisch keerpunt

Op 13 november 1618, vierhonderd jaar geleden, begon in Dordrecht een belangrijke kerkvergadering die een einde moest maken aan felle godsdiensttwisten en politieke schermutselingen die de Nederlandse Republiek dreigden te verscheuren. maandag, 26 november

Door Aart Aarsbergen

Dit artikel verscheen in National Geographic Historia editie 4, 2018

Alleen een blauw schildje aan de achterzijde van de arrondissementsrechtbank in Dordrecht herinnert nog aan de Klovenierdoelen, waar vierhonderd jaar geleden de Synode van Dordrecht plaatsvond. Het gebouw zelf werd in 1857 tot groot chagrijn van vele Dordtse cultuur- en geschiedenisliefhebbers gesloopt. Op de vrijgekomen grond werd een gevangenis gebouwd. Op de Dordtse Synode werd een conflict beslecht dat jarenlang sluimerde in de Republiek der Nederlanden. Terwijl de strijd met Spanje door het Twaalfjarig Bestand (1609-’21) voor geruime tijd was gestaakt, kwamen in de Republiek de kerkelijke verhoudingen op scherp te staan. Na de Reformatie, die het protestantisme had voortgebracht en die in de Nederlandse gewesten uiteindelijk eind 16de eeuw tot een verbod op de katholieke eredienst had geleid, wilden de Hollandse regenten zo min mogelijk religieuze onrust, omdat die de spanningen in de samenleving zou aanwakkeren. Zij stonden een brede volkskerk voor, zonder veel theologische scherpslijperij.

Predestinatie

De gereformeerde voormannen, felle propagandisten van een nieuw geloof, legden juist de nadruk op godsdienstige zuiverheid en orthodoxie. Een discussie tussen twee theologen aan de Leidse universiteit groeide uit tot een giftige splijtzwam in de calvinistische kerk. De kern van het conflict ging om een verschil van inzicht over de predestinatie of goddelijke voorbeschikking. Volgens de calvinistische leer was de mens verdoemd en geneigd tot het kwade. De zondeval had hem uit het paradijs verdreven. God wilde uit genade een deel van de mensheid redden, de rest was verdoemd. Het was God zelf die besliste, de mens zelf kon daarop geen enkele invloed uitoefenen, aldus theoloog Franciscus Gomarus. Zijn collega en opponent Jacobus Arminius vroeg zich af of de mens die onbekwaam was tot het goede, wel zelf verantwoordelijk kon worden gesteld voor zijn zonden. Hij kon er immers niets aan doen? Arminius liet ruimte voor de gelovige zelf. Een mens kan gehoor geven aan de roep van God, maar hij kon deze ook onbeantwoord laten. De mens heeft dus een eigen verantwoordelijkheid in het aanvaarden van het geloof. Gomarus wees deze zienswijze als nieuwlichterij van de hand, hij hield vast aan de calvinistische orthodoxie die Gods genade beschouwde als een mysterie waarover de mens niet bekwaam was te oordelen.

Johan van Oldenbarnevelt, landsadvocaat van Holland en een van de machtigste mannen van de Republiek, beviel dit religieus gekrakeel niet en liet de beide kemphanen hun conflict in 1608 voor de Hoge Raad uitvechten. Oldenbarnevelts ingreep was vergeefs, er kwam geen enkele toenadering tussen de partijen. Een jaar later, toen de beide theologen voor de Staten van Holland moesten verschijnen, haakte Arminius doodziek af; hij stierf op 19 oktober 1609. Na zijn dood verhardde het conflict, dat in een felle pamflettenstrijd werd uitgevochten. Op 14 januari 1610 boden zo’n veertig aanhangers van Arminius de Staten van Holland een petitie of remonstrantie aan waarin zij hun opvattingen uiteenzetten en opriepen tot tolerantie. Sinds die tijd heten zij de remonstranten. De gomaristen reageerden daarop met een contraremonstrantie. Het theologisch conflict liep politiek volledig uit de hand.

In juli 1617 woonde stadhouder prins Maurits demonstratief een dienst van de contraremonstranten bij in de Kloosterkerk te Den Haag. Oldenbarnevelt steunde de remonstranten. Hij liet op 4 augustus in de Staten van Holland de Scherpe Resolutie aannemen, waarin werd bepaald dat steden die last hadden van contraremonstrantse opstootjes het recht kregen huurlingen, zogenaamde waardgelders, in dienst te nemen. Verder werd bepaald dat krijgsmachtonderdelen in Holland moesten gehoorzamen aan de Staten en aan het bestuur van de steden waar ze waren gelegerd.  De resolutie was tegen het zere been van prins Maurits, die zijn gezag als opperbevelhebber zag aangetast en meende dat de eenheid van het land werd bedreigd. De prins pleegde daarop een staatsgreep: hij vroeg diverse volmachten van de Staten-Generaal, schafte de waardgelders af en liet Oldenbarnevelt en zijn geestverwanten, onder wie de beroemde rechtsgeleerde Hugo de Groot, arresteren. Oldenbarnevelt werd door een gelegenheidsrechtbank tijdens een politiek proces ter dood veroordeeld wegens hoogverraad. Omdat hij zichzelf onschuldig achtte, weigerde Oldenbarnevelt koppig om genade te vragen. Op 13 mei 1619 werd hij op het Binnenhof in Den Haag onthoofd.

Nationale synode

Inmiddels hadden de Staten-Generaal onder druk van Maurits besloten tot een nationale synode of kerkvergadering, die bij de dood van Oldenbarnevelt al in zijn eindfase was. De synode, die plaatsvond in Dordrecht, werd op 13 november 1618 geopend met een dienst in de Grote Kerk. De bijeenkomst werd vervolgens voortgezet in de bovenzaal van de Kloveniersdoelen, het gebouw van een van de stedelijke schutterijen. De fine fleur van het calvinisme was verzameld. Een gezelschap van zo’n honderd man onder leiding van theoloog Johannes Bogerman, predikant te Leeuwarden, zat in de zaal opeengepakt, bestaande uit afgevaardigden van de gewestelijke synoden, theologen uit andere protestantse landen en steden, vertegenwoordigers van de Staten-Generaal en theologen van Nederlandse universiteiten.

Het doel van de synode was van meet af aan duidelijk: het laten zegevieren van de contraremonstrantse koers en het afrekenen met de remonstranten, die als ‘gedaagden’ op de synode aanwezig waren. Vijftien remonstrantse theologen onder leiding van Simon Episcopius werden aan een tafel in het midden van de zaal geplaatst, omringd door vijandige theologen. Ze stelden de rechtmatigheid van de synode ter discussie en probeerden de procedures te traineren, tot groot ongenoegen van voorzitter Bogerman die tijdens de 57ste zitting van de synode op 14 januari 1619 de remonstranten trillend van woede de deur wees: ‘Gij wordt weggezonden, gaat heen.’

Na het vertrek van de remonstranten kwam de synode nog vele malen bij elkaar. De Dordtse Kerkorde werd opgesteld, een soort huishoudelijk reglement voor de gereformeerde kerk, en de Dordtse Leerregels werden geformuleerd. Dit belijdenisgeschrift, waarin definitief met de remonstrantse opvattingen werd afgerekend, vormde samen met de Nederlandse Geloofsbelijdenis (1561) en de Heidelbergse Catechismus van twee jaar later de basis voor het gereformeerde geloof. Om het belang van de Dordtse Leerregels te onderstrepen, werden zij op 6 mei plechtig in een Nederlandse vertaling in de Grote Kerk van Dordrecht voorgelezen aan het gewone kerkvolk. De predikanten moesten elkaar afwisselen omdat ze in deze enorme ruimte ‘door de dikke asem van de grote hoop toehoorders’ al snel hun stem kwijtraakten.

Statenbijbel

In november 1618 gaf de Synode opdracht de Bijbel uit de oorspronkelijke Hebreeuwse, Aramese en Griekse bronteksten in het Nederlands te vertalen, zoals Luther dat voor het Duits had gedaan. Pas in 1625 begon een groep vertalers, met financiële steun van de Staten-Generaal, onder leiding van dominee Bogerman aan het vertaalwerk. Twaalf jaar later was de Statenbijbel klaar. Na twee decennia waren er al een half miljoen exemplaren verkocht. De Statenbijbel had grote invloed op de ontwikkeling van de Nederlandse taal.

Op 29 mei 1619 werd de Synode na zeven maanden vergaderen en 180 zittingen afgesloten. De overwinning van de contraremonstranten was compleet. Remonstrantse predikanten werden uit hun ambt gezet en moesten een preekverbod ondertekenen, de zogenaamde Acte van Stilstand. Zo’n tachtig van hen weigerden dit en gingen in ballingschap, onder meer naar Waalwijk, dat toen in Spaanse handen was. In Antwerpen richtte een groep uitgeweken predikanten in 1619 de Remonstrantse Broederschap op. Na de dood van prins Maurits in 1625 keerden vele ballingen geleidelijk terug naar de Republiek. Hun leer bleef officieel verboden en zij zochten hun heil in schuilkerken, zoals de Rode Hoed, een voormalig pakhuis aan de Keizersgracht in Amsterdam. Het zou tot de stichting van de Bataafse Republiek in 1795 duren totdat het kerkgenootschap officieel werd erkend.

Lees ook: Raadsels rond een meesterwerk: wat weten we over de Mona Lisa?

Lees ook: Bibliotheek van Alexandrië: verdwenen kennis 

Dit artikel verscheen in National Geographic Historia editie 4, 2018