Geschiedenis en Cultuur

Diogenes: de filosoof die leefde als een hond

Nadat hij als banneling in Athene was beland, sloot Diogenes zich aan bij de filosofische school van de cynici. Hij verzette zich tegen de waarden van een maatschappij die hij als corrupt beschouwde. maandag, 1 april 2019

Door Juan Pablo Sánchez

Dit artikel verscheen in National Geographic Historia editie 1, 2019.

De filosoof Diogenes was tijdens zijn leven een excentrieke figuur die maar al te graag aanstoot gaf. Hij was een unieke vertegenwoordiger van de ‘tegencultuur’ in het oude Griekenland en haalde schaamteloos uit naar iedereen, van koningen tot simpele slaven. Hij woonde in Athene en in Korinthe, met af en toe een uitstapje naar Spanje, al was hij eigenlijk een man zonder thuis, zoals veel Grieken in die tijd. Door de overheersing van de Macedonische koningen en de constante politieke tegenslagen was ballingschap geen ongewoon lot, velen ondervonden er net als Diogenes levenslang de gevolgen van. In feite was hij de eerste staatloze die zichzelf trots uitriep tot ‘wereldburger’. Met zijn scherpe humor ging hij in tegen wat als fatsoenlijk werd beschouwd in die ‘farizese’ maatschappij waarin de rijkdom van een paar mensen de overgrote meerderheid had geruïneerd.  

Diogenes werd geboren in Sinope, een stad aan de Turkse kust van de Zwarte Zee, en had een gelukkige jeugd, hij was tenslotte de zoon van een bankier. Maar hij werd uit Sinope verbannen na een beschuldiging van valsemunterij. Diogenes verklaarde dat hij het alleen had gedaan vanwege een opdracht van het orakel van Delphi, dat hem had opgedragen ‘de gangbare munt waardeloos te maken.’ Pas veel later begreep hij wat die woorden van de goden echt betekenden: conventionele wijsheid was de valse munt die hij moest weigeren, om te laten zien dat de natuur sterker was dan gewoonten. Deze idee zou de hoeksteen worden van zijn filosofie. Het gaf hem moed en bereidde hem voor op wat het lot ook bracht. 

Het voorbeeld van een muis 

Diogenes voer naar Athene, waar hij probeerde de lessen van de filosoof Antisthenes te volgen, die als leerling van Socrates de school van de cynici had gesticht. De cynici kregen deze naam omdat ze almaar vanaf een tribune naar de stedelingen ‘blaften’ (kynikós is Grieks voor honds), om ze duidelijk te maken hoe zondig ze waren. Diogenes was zo vastbesloten Antisthenes te volgen dat hij, toen deze hem met stokslagen wegjoeg, naar hem riep: ‘Sla er maar op los! Geen stok is hard genoeg om mij weg te jagen.’

Kenmerk van de cynici was dat ze afstand deden van alle materiële goederen en van zinnelijke geneugten. Diogenes ging daarin tot het uiterste, zoals blijkt uit allerlei anekdoten die Diogenes Laërtius verzamelde in zijn Leven en leer van beroemde filosofen. Zo werd er op een gegeven moment in Athene een feest gevierd, en overal zag je kleurige schouwspelen, schitterende optochten en overdadige ceremonies in tempels en villa’s. 

Diogenes bleef ineengedoken in een hoekje zitten alsof hij wilde gaan slapen, ietwat bedroefd omdat hij zich buitengesloten voelde en niet mee aan het feesten was. Maar toen kwam er een muisje tevoorschijn, dat hij intens zag genieten van de paar kruimels die waren overgebleven van het brood dat zijn avondeten was geweest. ‘Wat heb je te klagen?’ zei hij tot zichzelf. ‘Kijk naar die muis, die is tevreden met jouw etensrestjes, terwijl jij zit te mekkeren omdat je niet dronken kunt worden met die lui daar.’ Toen keek hij naar de stad; ook al had hij geen huis, hij troostte zich met de gedachte dat de Atheners de straat waar de optochten plaatsvonden voor hém hadden versierd. 

Als een arme man installeerde Diogenes zich op de agora, het centrum van het politieke leven in Athene. Daar observeerde hij de drukte en de nutteloze bezigheden waarmee de stedelingen hun leven vulden. Diogenes kreeg nooit aalmoezen en beklaagde zich erover dat mensen wel aan liefdadigheid deden als het ging om de armen, maar filosofen oversloegen. Ze begrepen heel goed, vond hij, dat iemand blind of kreupel kon zijn, maar niet dat iemand een denker zou worden om de kost te verdienen, zeker niet als hij als filosoof de samenleving zo ontregelde. 

‘In deze stad,’ zei hij vaak, ‘zie ik veel atleten intensief trainen, maar niemand die zich inspant om een oprecht mens te zijn; ik zie musici zich in het zweet werken om de snaren van hun lier te stemmen, terwijl het ze niet lukt hun hartstochten af te stemmen op de klank van de menselijke geest; en zelfs redenaars die hun mond vol hebben over gerechtigheid, brengen die niet in praktijk.’ 

Zo raakte Diogenes eraan gewend om tijdens zijn zwerftochten door Griekenland bijna alles op willekeurige plekken te doen, of het nu eten was, slapen of zijn toespraken afsteken. Het wijnvat dat hij soms als slaapplek gebruikte, was een statement op zich: mensen moesten door rigoureuze zelfbeheersing terug naar de natuur om hun vrijheid te veroveren. Diogenes leverde liever als armoedzaaier zijn kritiek op de wereld, dan zich aan te passen en te moeten leven in een door geld afgestompte maatschappij. 

De exhibitionist 

Deze manier van leven leverde hem niet veel respect op van andere filosofen, al leek dat hem geen zorgen te baren. Diogenes weigerde juist keer op keer de debatten serieus te nemen die in zijn tijd opschudding veroorzaakten. Hij hanteerde enkele eenvoudige ethische principes waardoor de grote filosofische systemen en theorieën van zijn tijdgenoten nutteloos leken. Ook hierover deden anekdoten de ronde. Op een dag liep hij langs de door Plato opgerichte Akademeia en hoorde hij de filosoof tegenover zijn leerlingen verdedigen dat de mens een tweevoetig dier was zonder veren. Diogenes ving een haan, plukte hem en liet hem midden in de school los en riep: ‘Daar loopt een mens van Plato!’ 

Diogenes leek vast niet goed snik voor degenen die hem hartje zomer door het warme zand zagen rollen en in de winter de koude marmeren, met sneeuw bedekte standbeelden zagen omhelzen. Hij liet harde scheten op drukbezochte plekken (zelfs tijdens een van zijn theatrale, ellenlange toespraken), hij plaste brutaalweg over iemand heen alsof hij een hond was en masturbeerde zelfs in het openbaar. Voor verontwaardigde voorbijgangers had hij een standaardantwoord: ‘Kon ik mijn honger maar net zo makkelijk stillen door simpelweg over mijn buik te wrijven!’ Maar onder al die provocaties scholen serieuze ethische principes: het beperken van verlangens tot wat echt noodzakelijk is. En beperking tot wat door de natuur wordt ingegeven. Het is de goden eigen om niets te verlangen – zelfs niet de offers waarmee ze worden vereerd. Wil de mens op de goden lijken, dan moet hij hun gedrag navolgen, was Diogenes’ boodschap. 

Op een keer werd de stad belegerd en iedereen rende door de straten om zich voor te bereiden. Diogenes rolde zijn wijnvat naar een andere plek om niet uit de toon te vallen in al die drukte, die hij zinloos vond. Het was absurd om je de benen uit het lijf te lopen op een moment waarop democratische vrijheden niet meer dan een herinnering waren. 

Leven en sterven zonder bagage

Toen hij ouder werd, raadde een van zijn vrienden hem aan de teugels een beetje te laten vieren, maar Diogenes antwoordde: ‘Het is alsof je me midden in een wedstrijd, net wanneer ik op het punt sta de finish over te gaan, aanraadt om te stoppen.’

Hij stierf dus net zo arm als hij had geleefd, iets wat ook blijkt uit dit verzoek aan Charon, de veerman van de onderwereld, in zijn grafschrift: ‘Al is je afschrikwekkende boot volgeladen met doden, neem de hond Diogenes aan boord. Ik heb geen bagage, enkel een oliefles, een knapzak, mijn armzalige mantel en de obool waarmee doden hun overtocht betalen. Zoveel als ik in mijn leven bezat, draag ik met me mee naar de onderwereld, niets heb ik in de wereld achtergelaten.’ 

Er zijn mensen die de wonden van hun gebroken hart willen verbergen achter ongepaste trots, maar Diogenes deed het tegenovergestelde: zijn schijnbare onbezonnenheid was een masker waarachter een diepgaande kennis van de menselijke natuur schuilging, en met zijn uitgesproken levensstijl kaartte hij op een provocatieve manier de kwalen van zijn tijd aan. 

Dit artikel verscheen in National Geographic Historia editie 1, 2019.